maandag 8 mei 2017

Van Emsteɔdem naar Joetҩekt

Het is alweer even geleden dat ik met de trein in West-Nederland was, maar toen waren er nog gunstige uitzonderingen. Ik hoop van nog steeds. Uitzonderingen in wat? In het verengelsen van Nederlandse plaatsnamen.
Next station: Skiphol.” Of “Sjiphol”, dat gebeurt ook.

In het novembernummer van het tijdschrift Onze Taal besteedde Riemer Reinsma aandacht aan dit verschijnsel. Misschien heb je je zelf wel eens schuldig gemaakt aan het verengelsen van de naam van onze hoofdstad tot “Emsteҩdem”. Ik wel, moet ik tot mijn spijt bekennen. Het gaat zo makkelijk, hè, in een gesprek met een Engelsman of anderszins Engelssprekend wezen. Het klinkt zo vreemd, nietwaar, “This is the road to Amsterdam.” Maar waarom niet? Riemer Reinsma beproeft enkele verklaringen, waarom het bijvoorbeeld meestal “Joetrekt” wordt in plaats van “Joetrecht”, waarom velen kiezen voor “Sloterdiek” in plaats van “Sloterdaik”, hoe je "Schiphol" kun verbasteren, of zelfs "Nijmegen" (“Naimeġġen”) en "Gouda" (“Goeda”). Hij is niet erg blij met deze gedrochten, maar ik mis iets in het artikel. Het lijkt er namelijk vanuit te gaan dat dit soort gehaspel onontkoombaar is. En dat is het zeer zeker niet.

1.     Er zijn (of althans waren in mijn tijd) nog altijd conducteurs die de betreffende namen wel netjes uitspreken: “Next station is Schiphol”.

2.     Het verduidelijkt weinig of niets; een buitenlander begrijpt “Amsterdam” net zo goed als “Emsteҩdem”. Misschien is voor een Engelstalige buitenlander “Joetɔekt” wat duidelijker dan “Uutrecht”, maar voor een Frans-, Arabisch-, Bulgaars- of anderstalige buitenlander die zich hier in het Engels probeert te redden echt niet.

3.     Cultureel gezien zouden we het niet moeten willen (vgl. Engels op de universiteit). In het buitenland gaan ze voor ons hun plaatsnamen echt niet op z’n Nederlands uitspreken; dat wij het andersom wel doen getuigt m.i. van een gebrek aan cultureel zelfbewustzijn, zoals Piet Gerbrandy het noemt en zoals ik eerder schreef naar aanleiding van een liedje van Jeroen van Merwijk.

Kortom: het radbraken van Nederlandse plaatsnamen tegenover buitenlanders is meer een uiting van gemakzucht dan van taalvaardigheid en meer een uiting van gebrek aan zelfvertrouwen – dus angst – dan van behulpzaamheid.
Als wij al zo slordig omspringen met onze eigen plaatsnamen als er toeristen in de buurt zijn, hoe moet het dan gaan met ons cultureel erfgoed? Nederland is beroemd om de Volendamse klederdracht, maar wordt die ‘in het echt’ nog wel gedragen? Klompen staan er weinig beter voor. De tulp is een uitheemse bloem. Toeristen komen af op de culturele eigenheid van een land, maar wij zijn hard bezig de Nederlandse te vernietigen. Denk bijvoorbeeld aan de verschillende agrarische landschappen en de dialecten en oude ambachten. En dan ook de plaatsnamen.
Laten we dus subiet ophouden met die flauwekul.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen