maandag 23 februari 2015

Zuurstofgebrek door te harde kozijnen (slot)

De tropische regenwouden moeten én kunnen worden gered

Het Northern Sierra Madre Natural Park op de Filippijnen is één van de vele oerwoudreservaten wier bescherming onder de maat blijft. "Er worden bomen gekapt en stukken bos platgebrand om er landbouwgrond van te maken. Dat heeft gevolgen voor kwetsbare soorten, waarvan er vele alleen op de Filippijnen voorkomen. Duurzamere landbouw buiten het park kan ervoor zorgen dat bosgebied behouden blijft en voor veel soorten geschikt blijft om er te leven," aldus Jan van der Ploeg en Merlijn van Weerd in het tijdschrift Weet enige tijd geleden. Maar dat gebeurt niet zolang de overheid zegt dat ze de illegale houtkap in de gebieden niet kan stoppen omdat het voor arme boeren de enige bron van inkomsten is. Van der Ploeg: "In werkelijkheid zitten er rijke zakenlieden en corrupte politici achter. Veel plattelandsmensen willen dat er een eind komt aan ontbossing. De oplossing ligt vooral bij de aanpak van corruptie bij de overheid."

"Waarom die voortdurende bemoeienis van westerlingen die menen alles beter te weten?" vraag je misschien. Wel, zolang de invloed vanuit het Westen in de vorm van vraag naar tropisch hardhout blijft bestaan moet ook de westerse invloed in de vorm van beschermingsmaatregelen blijven bestaan. Die laatste dient zelfs zeer versterkt te worden zolang de eerste niet sterk afneemt, wil het kostbaarste ecosysteem van deze planeet behouden blijven.
Niet minder belangrijk is echter bewustwording in de westerse landen zelf. Onlangs ondertekenden enkele grote bedrijven een internationaal contract waarmee ze onder meer toezegden geen palmolie meer te zullen gebruiken waarvoor oerwoud was gekapt. Dat is een goed begin, maar nog niet zoveel meer dan dat. Misschien zouden we voorlopig helemaal geen producten met palmolie moeten kopen. Ook soja en tapioca zijn vaak van twijfelachtige herkomst.
Tropisch hardhout is in Europa een veelgevraagd product. Maar tot voor kort was het meeste afkomstig uit gekapt oerwoud. Het tij begint te keren, want intussen is er ook ‘Europees hardhout’, Robinia, te koop, en heeft veel tropisch hardhout dat in Nederland wordt gebruikt inmiddels het FSC-keurmerk voor hout dat gekapt is met zorg voor het bos, bijna even natuurvriendelijk als de houthakkers van Knysna ooit werkten. Maar blijf scherp en vraag de aannemer die bij jou hardhouten kozijnen plaatst of het inderdaad FSC-hout is en let erop bij de bouwmarkt. Voor ons gezamenlijke bestwil.

De Keniaanse natuurbeschermer Colin Jackson zegt: “Het is een vaak nieuw idee: dat een boom een intrinsieke waarde heeft. Waarom? Omdat God hem geschapen heeft. Toch heeft Hij hem ons gegeven om te gebruiken, maar dat moeten we doen met wijsheid.”
De Amerikaanse natuurbeschermer wijlen John Muir schreef: "God heeft voor deze bomen gezorgd. Hij heeft ze gered van droogte, ziekte, lawines, en duizend stormen en overstromingen. Maar hij kan ze niet redden van dwazen – alleen Uncle Sam kan dat doen."

Natuurbescherming is vaak een zaak van de rijken, die er het geld voor hebben. Maar juist de armsten zijn afhankelijk van hun natuurlijke omgeving en dus is het voor hen in het bijzonder zaak de natuur waarin zij wonen te beschermen. Daarvoor is vaak hulp van buitenaf nodig – van de rijken, van ons, die er het geld en de opleiding voor hebben. Een mooi voorbeeld is het Arabuko-Sokoke Forest Reserve in Kenia, het enig overgebleven stuk van het kustbos dat zich ooit uitstrekte langs het grootste deel van de Afrikaanse oostkust. De plaatselijke bevolking kapt bomen en vangt dieren, voornamelijk om schoolgeld te verdienen voor de kinderen; basale levensbehoeften kan deze armste gemeenschap van Kenia nog met moeite uit de landbouw halen. Daarom besloot de christelijke natuurbeschermingsorganisatie A Rocha deze gemeenschap te steunen met schoolgeld en begeleiding van de schoolkinderen en hun familie; en door de mensen bewust te maken van de bijzondere waarde van het woud, één van de waardevolste en soortenrijkste van heel Afrika. Het gevolg is dat de vele bedreigde diersoorten die hier leven dat kunnen blijven doen én dat de Kenianen – en inmiddels ook ecotoeristen – kunnen blijven gebruikmaken en genieten van deze prachtige natuur.

maandag 16 februari 2015

Zuurstofgebrek door te harde kozijnen (inleiding)

De longen van de wereld worden weggevreten

Knysnabos, Zuid-Afrikaanse zuidkust, negentiende eeuw. Na dagenlang hakken heeft een kleine houthakkersploeg een zorgvuldig uitgekozen woudreus geveld. Na nog eens een week zwoegen is de boom verzaagd, opgeladen en door de ossen het bos uit gesleept, naar de werf van de houthandelaar. Die keurt de zware vracht eersteklas geelhout, besluit dan dat er geen vraag meer is naar geelhout maar naar stinkhout en keert het loon uit: tegoedbonnen voor een beetje meel, suiker en koffie.
Het lijkt het slechte begin van een sprookje, maar het is historisch. De Afrikaanstalige houtkappers die vele generaties in het bos gewoond hadden en er hun bestaan uit haalden, die elk paadje, elke diersoort en elke houtsoort in het oerwoud kenden, werden tegen het einde van de negentiende eeuw door de machtige houthandelaren zover uitgeknepen dat ze meer bomen moesten kappen dan goed was voor het bos, en nog honger leden. Intussen werden hen door een nieuw opgezette natuurbeheersinstantie steeds meer beperkingen opgelegd. Tot overmaat van ramp werd er midden in het woud een houtzagerij gebouwd die geen enkel respect had voor het bos en het gekke was dat die door het bosbeheer geen strobreed in de weg werd gelegd. Uiteindelijk werden de houthakkersgezinnen die nog in het bos overleefden verbannen naar het blikplaten kampdorp Karatara, vertelt schrijfster Dalene Matthee, omdat ze het bos heetten te verwoesten.

Heel wat medicijnen, specerijen, eetbare planten en vruchten en bijvoorbeeld rubber komen oorspronkelijk uit tropische oerwouden. Hoewel ze nog geen 7% van het aardoppervlak bedekken zijn tropische regenwouden goed voor een derde deel van onze zuurstofvoorziening, en voor de helft van het aantal planten- en diersoorten.

Per jaar wordt vijf- tot zesduizend vierkante kilometer van het Zuid-Amerikaanse Amazonewoud gekapt. In Afrika en Azië staat het er niet veel beter voor, zodat er wereldwijd per jaar een oppervlakte van drie keer Nederland aan tropisch regenwoud wordt gekapt; dat komt neer op meer dan veertigduizend hectare per dag.
De gevolgen laten zich raden. Steeds meer planten en dieren sterven uit, sommige nog voordat ze ontdekt zijn – dat wil zeggen door westerlingen, want de indianen en andere oerwoudstammen kennen hun leefgebied door en door. Ze halen er hun gereedschappen en bouwmaterialen uit, hun voedsel én hun geneesmiddelen. En toch helpen velen van hen tegenwoordig mee hun oerwoud te vernietigen.
Waarom deze verwoestingen? Heel eenvoudig: It’s all about the money… Arme inboorlingen zien de westerse spullen en gemakken van hun buren en willen die ook hebben. Westerse bedrijven zien goedkope grond om geld op te verdienen; bijvoorbeeld om palmen te verbouwen voor goedkope palmolie. Westerse burgers willen hardhouten kozijnen en dat hout groeit eigenlijk alleen in de tropen, en bepaald langzaam.
En dus gaat de houtkap door. Met alle gevolgen van dien. De dunne bovengrond op hellingen waar eens oerwoud groeide spoelt weg door erosie en de landbouwgrond wordt onbruikbaar. Een door ontbossing veroorzaakte vampierenplaag in Peru kost inmiddels vele mensen het leven: in dezelfde nacht door bloedverlies of enkele dagen later door hondsdolheid.

Hoe lang kan dit nog voortduren?
 

maandag 9 februari 2015

Tweetaligheid en dialect (2)

Het belang van dialect

Het gevolg van het feit dat een dialect, zoals we vorige week zaken, taalkundig niet onderdoet voor een taal is dat dialect niet remmend werkt op de taalontwikkeling van een kind, zoals nogal eens wordt gedacht, maar die juist bevordert; als het maar al heel jong het onderscheid tussen die twee leert.
Het misverstand wordt vermoedelijk veroorzaakt doordat ouders van dialectsprekende kinderen, zeker in gebieden waar het dialect bedreigd wordt zoals in de Gelderse Vallei, in de meeste gevallen minder hoog opgeleid zijn en meer praktisch werk doen dan kinderen van ouders die het dialect – wellicht omdat ze het "te min" vinden – hebben verleerd, en dus veelal minder ‘talig’ zijn. Maar hardwerkende bouwvakker of boer, geef je kinderen de kans om de ‘rijkeluiskinderen’ op taalgebied te evenaren door hen hun dialect grondig in te prenten, en later zo snel mogelijk meer talen te laten leren.
Dus Barrevelder, Lunteraon, Sjaarpezeêler, Renswouwenaor, Bunschoôter, Zwaartebroeker, Eêreveêner, Kotiker, Koôtjebroeker, Niekaarker, Gaarderenaor, Otterloër, Harskaamper of wat je ok bin: leer joe kiender Veêluws! Wie naost Hollaands z’n Veêluws kent het meer reejen um groôts te wezen op z’n taolenkennis as êên die niks as Hollaands kan, wat veur baan of z’n ouwers ok hên.

Bovendien is het behouden van streektaal niet alleen voor de taalontwikkeling van belang. Er zijn nog twee andere, minstens even belangrijke en met elkaar samenhangende, overwegingen.
Ten eerste is het dialect één van de cultuurdragers van een streek, naast bijvoorbeeld streekproducten, historische landschapskenmerken – denk bijvoorbeeld aan de aan- of afwezigheid van houtwallen en het verkavelingspatroon – en (boerderij)bouwstijlen.
In een tijd van globalisering en verstedelijking wordt het streekeigene dat er nog over is steeds belangrijker. Maar terwijl streekproducten in steeds meer winkels een plaats krijgen verliezen de streektalen terrein.

Ten tweede is het voor jongeren van deze tijd van groot belang een eigen identiteit te ontwikkelen. Vroeger gebeurde dat bijna automatisch: je was deel van een dorpsgemeenschap en je ging zodra je van de lagere school af kwam aan het werk en stichtte een gezin, net zoals iedereen. Identiteitscrises kwamen nauwelijks voor, want je identiteit was bepaald door woonplaats en geschiedenis. Vandaag de dag zit de maatschappij veel ingewikkelder in elkaar, zijn gemeenschappen – áls ze nog bestaan – veel minder hecht en worden jongeren aangemoedigd een eigen identiteit te zoeken. Maar dat laatste blijkt moeilijk, met als gevolg een nieuw soort kuddegedrag.
Door de invloed van massamedia dreigen hedendaagse jongeren losgeslagen te worden van hun wortels en stuurloos rond te tollen op de woelige zee van een rusteloze cultuur. Wat pubers nodig hebben is een ijkpunt, een houvast voor het ontwikkelen van een eigen identiteit als volwassene. De oplossing is niet het na-apen van populaire figuren als pop- en filmsterren en het overnemen van (Rand)stadse modeverschijnselen, maar het weer ontdekken van je wortels.
Dus, jongere wiens ouders geboren en getogen zijn in een Veluws dorp of het platteland van de Gelderse Vallei of in welke andere prachtige streek in Nederland dan ook: verdiep je in de unieke kenmerken van je geboortestreek, met zijn natuur en boerenland, zijn streekproducten en volksverhalen, plaatselijke gebruiken én dialect. Ga dat weer beschouwen als onmisbaar onderdeel van je eigen identiteit en wees er trots op te midden van kleurloze leeftijdsgenoten, en ik voorspel je: je zul winnen aan geestkracht en zelfvertrouwen.

Hoe moet je je kinderen dan tweetalig opvoeden? Dat kan op twee manieren. De eerste is dat, zeg, de moeder altijd dialect met hem spreekt en de vader Nederlands. De andere is om ze aanvankelijk alleen het dialect aan te leren en zodra ze in contact komen met leeftijdsgenootjes en naar een school gaan waar het dialect niet langer gangbaar is, in te zetten op het Nederlands. Dat moet wel zo vroeg mogelijk gebeuren, maar het gevaar van de eerste methode is in een streek waar het dialect onder druk staat dat wanneer het kind op school alleen Standaardnederlands hoort en thuis ook deels, het dialect wordt weggedrukt. Kortom: voor Tukkers, Zeeuwen, Brabanders en Limburgers – en Vlamingen wellicht, maar daar weet ik te weinig van – verdient mijns inziens methode 1 aanbeveling, voor Veluwenaren, Drenten, West-Friezen en Alblasserwaarders methode 2.

Ik kan nauwelijks genoeg benadrukken hoe belangrijk het is het Nederlands grondig te beheersen. Maar bijna even belangrijk is het om daarnaast een dialect te spreken, zowel om taalkundige als om psychologische en culturele redenen. Buitenlandse talen kunnen later nog wel worden aangeleerd – hoe meer hoe beter.

maandag 2 februari 2015

Tweetaligheid en dialect (1)

Het belang van tweetaligheid

De meeste onderzoekers zijn het erover eens: tweetaligheid heeft belangrijke voordelen voor de verstandelijke ontwikkeling. Het werkgeheugen verbetert. Doordat je hersenen voortdurend moeten kiezen tussen de twee taalsystemen leren ze snel schakelen en de belangrijkste gegevens naar voren te halen. Dit vermogen werkt zelfs door tot op hoge leeftijd en helpt zo dementie te vertragen.
Kortom: genoeg redenen om je kinderen een meertalige opvoeding te geven.

Het is namelijk wel van belang wannéér je tweetalig word: als je pas op latere leeftijd nieuwe talen aanleer is het gunstige effect veel minder, zo blijkt uit onderzoeken.
Desalniettemin blijft het aanleren van nieuwe talen een goede manier om je hersenen soepel te houden en biedt het natuurlijk grote voordelen die het beheersen van vreemde talen nu eenmaal meebrengen, of het nu gaat om het lezen van literatuur of informatie op het internet of om het vergemakkelijken van de communicatie in een exotisch vakantieoord.

Je zou echter kunnen tegenwerpen: maar dan moet je met een buitenlander trouwen of ontzettend goed onderwezen zijn in een tweede taal om je kind een tweetalige opvoeding te kunnen geven. En dat heb ik er niet voor over dan wel is voor mij niet haalbaar.
Terecht opgemerkt. Maar ik heb goed nieuws: ook je streektaal kan dienstdoen als ‘vreemde’ taal naast het Standaardnederlands. Een kind dat opgevoed is met dialect en Standaardnederlands naast elkaar (niet een mengelmoesje van die twee) heeft dezelfde cognitieve voordelen als iemand die bijvoorbeeld is opgevoed met Nederlands en Papiaments. Hoe groot het voordeel precies is, daarnaar loopt op dit moment een onderzoek met Limburgse kinderen; maar het is er, daarover zijn de taalkundigen het eens. Want taalkundig beschouwd is een dialect vaak niet te onderscheiden van een standaardtaal.

Want wat onderscheidt een taal van een dialect? De mate van taalkundig verschil is één aspect, maar historische en culturele overwegingen spelen evenzeer een rol. Dít was de reden om Fries tot taal te promoveren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zeeuws of Gronings. Om een voorbeeld te noemen: Zeeuws en Limburgs verschillen waarschijnlijk meer van het Standaardnederlands en zeker van elkaar dan Deens en Bokmål-Noors, terwijl de laatste twee als afzonderlijke taal worden erkend. Zodoende bestaat er volgens taalkundigen geen enkel verschil tussen "taal" en "dialect", hoewel dat niet helemaal zal opgaan voor dialecten die zozeer zijn verwaterd dat ze nauwelijks meer verschillen van de standaardtaal – reden temeer om het dialect te beschermen tegen de oprukkende invloed van het Standaardnederlands (en dat evenzo tegen het Engels).
(Wordt vervolgd)