maandag 26 juni 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 7)

Op www.circlemakers.org bieden Engelse graankunstenaars een handleiding voor hoe graancirkels te maken. Een belangrijke voorwaarde is ongezien te werken, dus ’s nachts. Toch worden er ook overdag formaties gevormd. Een beroemd geval is ‘The Julia Set’ bij Stonehenge in Wiltshire. De formatie ontstond langs een drukke weg op 7 juli 1996 tussen 5:30 u. (toen een piloot met een dokter in zijn vliegtuigje over het veld vloog zonder dat daar wat bijzonders te zien was) en 6:15 (toen de piloot er opnieuw overheen vloog en nu de formatie zag liggen) en telde 149 cirkels en was 280 bij 150 meter groot. Geen van de bezoekers van Stonehenge die de enorme formatie zagen toen hij er eenmaal lag, had iets zien gebeuren.
In de ochtend van 3 augustus 2007 verschijnt er bij het Zuid-Engelse Pewsey een formatie. Een hardloopster kijkt om 8:10 u. over een veld uit en constateert teleurgesteld dat er nog steeds geen formatie ligt op deze prachtige locatie. Als ze er een uur later in de auto langs rijdt ziet ze een enorme formatie in het veld liggen.
Op 7 augustus 2001 zijn Eltjo Haselhoff, Robert Boerman en Jan Willem Bobbink in een graanveld bij Stadskanaal om een uit 8 cirkels bestaande formatie, in een schorpioenvormig patroon, op te meten en te bemonsteren. Als de metingen zijn gedaan en er foto’s zijn genomen gaat Robert nog even naar de staart van de formatie voor meer foto’s en ziet tot zijn verbazing dat er een negende cirkel bijgekomen is. Niemand heeft iets zien gebeuren, er is niemand anders in het veld en ze hebben hooguit tien minuten niet naar de formatie gekeken. Als ook de anderen bij de plek gekomen zijn merken ze dat het graan warm aanvoelt en blijkt van twee fotocamera’s de batterij razendsnel leeg te lopen. Ook krijgt één van de drie een vreemde pijn in zijn benen en een ander in zijn hand en pols. Later vertelt de eigenaar van de akker dat hij daar meermalen bliksem heeft zien inslaan.

Zonder iets te kunnen bewijzen vind ik dit soort gevallen wel sterk op een niet-menselijke oorzaak duiden (althans in gewone zin; later nog wat over een ongewoner optie). Toch worden ervaringen zoals die leeglopende batterijen en pijnlijke gevoelens door velen niet beschouwd als exclusief voor graancirkels. Terwijl de circlemakers en passant de spot drijven met de goedgelovigheid van graancirkelonderzoekers, die vaak ieder bijzonder kenmerk beschouwen als een bewijs van ‘echtheid’, geven ze ook aanwijzingen voor de juiste plek om een formatie neer te leggen die als ‘echt’ beschouwd zal worden. Maar laat ik eerst eens een aantal anomalieën ('bewijs' 3 uit afl. 5) op een rij zetten die beschouwd worden als aanwijzing voor authenticiteit van een formatie.

  1. Verschijnselen in het graan:
1.     verdwenen zaad
2.     uitgerekte of ontplofte knopen
3.     buiging, verwringing
4.     afwijkende zaadkieming
5.     sporen van hitte
6.     bijzondere ligging van de stengels (lay, weefpatroon)

  1. Verschijnselen in lucht en bodem:
7.     vreemde stoffen
8.     hoge concentratie meteorietstof
9.     kristalgroei kleibodem
10. atmosferische verschijnselen
11. geestafdruk (ghost)

  1. Invloed op elektronische (of magnetische) apparatuur:
12. leeglopende batterijen
13. weigerende camera’s of flitsers
14. foto’s vertonen rare lichteffecten
15. geen bereik mobiele telefoons
16. haperende tv's of afgaand alarm in omgeving
17. apparatuur in overvliegend vligtuigje of langsrijdende trekker verstoord
18. kompas slaat op tilt

  1. Invloed op mens en dier
19. verstoord zicht, gevoel van zwaarte, kramp, pijn, misselijkheid, vermoeidheid, onregelmatige of hervatte menstruatie, verhoogde bloeddruk, metaalsmaak, oorsuizen enz., honger of dorst
20. opwinding, warmtegevoel, tintelende en vlekkende handen en voeten, ontspanning, verstoord tijdsgevoel, enz.
21. genezingen (verdwijnen chronische pijn, tijdelijke opheffing vernauwing urineleider, hooikoorts, botontkalking, Parkinson, artritis)
22. dieren alarmeren tijdens ontstaan, honden mijden formatie of vreten verwoed graancirkelplanten, vogels durven er niet overheen te vliegen

maandag 19 juni 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 6)

In de nacht van 7 juli 2007 houdt de Engelsman Winston Keech een nachtwake op Knap Hill, met uitzicht op het beroemde East Field, waar ieder jaar de mooiste graancirkels ontstaan. Vijftien jaar geleden heeft hij eens een graancirkel gevormd zien worden (door lichtbollen) maar had helaas geen camera bij zich. Sindsdien is hij erop gebrand het nog eens mee te maken om het wél vast te leggen. Duizenden uren waken en filmen heeft hij erop zitten, maar nog steeds zonder resultaat. In de loop van de tijd heeft hij steeds betere apparatuur aangeschaft en vanavond heeft hij drie vaste filmcamera’s opgesteld plus nog één in de aanslag. Rond half 2 krijgt hij bezoek van Gary King en zijn vriendin Paula. Keech tast het stikdonkere East Field af met de losse lichtgevoelige camera, maar er is niets te zien. Vervolgens praten de drie wat, tot ze iets na 3 uur worden opgeschrikt door een lichtflits. Dat herinnert Keech eraan dat het tijd is de videobanden te verwisselen. In het veld is niets te zien, totdat het heel langzaam licht begint te worden en de infraroodcamera laat zien dat er een nieuwe formatie in het veld ligt. Honderdvijftig cirkels, met een totale lengte van 315 meter en breedte van 152 meter; bijna een hectare graan is platgegaan. Gary en Paula gaan het nog donkere veld in en betreden de formatie, waarbij het nog onbeschadigde graan in de formatie onder hun voeten breekt als was het glas.
De komende dagen onderzoekt Winston zijn videobeelden en ziet dat één camera bij het lichter worden de nieuwe formatie onthult alsof er een schaduw overheen trekt, in 9 minuten tijd, kort na de lichtflits, die een andere camera heeft vastgelegd. Echter, een groep jongelui eist de formatie op en beweert dat de filmbeelden vals zijn.
Later onderzoek geeft echter een andere verklaring: de filmbeelden zijn echt, maar de conclusie van de nachtwakers was onjuist. De flits op de ene camera zou te wijten zijn aan een fout aan het eind van de videoband (laatste seconden) en de opname die Keech rond half 2 maakte lijkt met behulp van speciale technieken toch iets te zien te geven, namelijk de helft van de formatie. De schijnbare vorming van de formatie rond kwart over drie op de derde opname zou veroorzaakt worden door het opkomende licht, al dan niet in combinatie met de maan die achter de wolken vandaan komt.
Ik heb niets kunnen vinden over de bewering van de jongelui, hoe ze het voor elkaar gekregen hebben in een paar een zo’n grote, mooie formatie plat te leggen, in een golvend veld. Maar ook dit ‘overtuigende bewijs van de authenticiteit van het graancirkelfenomeen’ is twijfelachtig.

Op YouTube vond ik nog een derde, recentere opname: lichtbollen doen op 25 juli 2009 een graancirkelformatie verschijnen in Soligny-les-Étangs. Ziet er leuk uit, maar er staat geen zinvolle toelichting bij, dus ik heb m’n twijfels over de echtheid van de opname.

Kortom: er is geen filmmateriaal dat onomstreden aantoont hoe een graancirkel wordt gemaakt zonder mensenhanden en -voeten. Hiervoor zijn drie verklaringen mogelijk:
  1. graancirkels ontstaan immers niet zonder inspanningen van de genoemde ledematen;
  2. het verschijnsel is zo zeldzaam en kortdurend dat het toeval zou zijn als het zou worden gefilmd, of toeval dat het nog niet is gelukt;
  3. er is een intelligentie aan het werk die het raadsel koste wat het kost een raadsel wil laten blijven, misschien om mensen te wijzen op hun beperktheid, of om welke reden dan ook (“alsof de duvel ermee speelt”, zouden we zeggen).

Als mijn indruk juist is worden de verklaringen 1 en 3 verreweg het meest aangehangen, en het mag duidelijk zijn door wie. Zelf neig ik naar een combinatie van alle drie de verklaringen; zoals Haselhoff al merkte, evenals alle graancirkelonderzoekers, zijn er bijna geen twee graancirkels precies hetzelfde. Dat geldt zowel voor vorm en afmeting als voor ontstaan als voor de naderhand in de formatie gevonden anomalieën.

maandag 12 juni 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 5)

Iemand vertelt een lichtbol te hebben waargenomen die vanaf een hoogte van vier meter een cirkel in een tarweveld maakte. Hij neemt contact op met onderzoeker Eltjo Haselhoff, die de tarwestengelknopen in de cirkel gaat onderzoeken, die in dikte blijken te zijn toegenomen ten opzichte van die in het omringende gewas. De bevindingen komen overeen met de gevolgen van straling vanuit een elektromagnetische puntbron op een hoogte van 4,1 meter. In een met zekerheid door mensen gemaakte cirkel elders in Nederland vindt dr Haselhoff deze kenmerken niet. Dit brengt hem tot de theorie dat althans sommige graancirkels gemaakt worden door een elektromagnetische puntbron, wat hij ook verwoordt in een artikel in het natuurwetenschappelijke tijdschrift Physiologia Plantarum.
Na zevenentwintig jaar studie naar het antwoord op de vraag "door wie, waarom en hoe" graancirkels worden gemaakt moet Haselhoffs antwoord echter luiden: Geen idee. Bijna geen twee graancirkels zijn namelijk hetzelfde. Maar, zegt hij op een symposium in 2015, “wie denkt dat alle graancirkels door mensenhanden worden gemaakt is gewoon dom.”

Toch zijn er nauwelijks echt harde bewijzen voor een niet-menselijke oorsprong van graancirkels. Er zijn:
  1. getuigenverklaringen;
  2. in graancirkels gevonden anomalieën;
  3. foto- en filmbeelden van het ontstaan, veelal vaag.
Om met punt 3 te beginnen: er zijn talloze foto’s van lichtbollen en andere lichtverschijnselen rond graancirkels, meestal genomen ná de gebeurtenis; ik heb geen foto’s kunnen vinden van lichtbollen tijdens het ontstaan van een formatie, of van het ontstaan zelf. Mocht u ze wel weten, dan hoor ik het graag. Plaats een reactie hieronder.
Tot een paar jaar geleden waren er slechts twee mensen die beweerden het ontstaan van een graancirkel te hebben gefilmd.

Op een koude nacht in 1996 houdt een Engelsman een nightwatch op een heuvel genaamd Oliver’s Castle. Als het begint te regenen kruipt hij in zijn waterdichte slaapzak, legt zijn videocamera aan zijn voeteneind en valt in slaap. Tegen de ochtend wordt hij wakker van een elektrostatisch geknetter en ziet boven de akker beneden zich lichtbollen over het graan scheren. Hij grijpt zijn videocamera en legt vast hoe de lichtbollen in een enkele seconde een graancirkelformatie doen ontstaan, alsof er al een soort blauwdruk lag die nu wordt ‘geactiveerd’.
In de ochtend van 11 augustus wordt er gebeld in de pub in Alton Barnes, een ontmoetingsplek van graancirkelliefhebbers, met de vraag of zekere graancirkelonderzoekers aanwezig zijn omdat de beller, die zich voorstelt als John Whaley of Wyeleigh (beide uitgesproken als [weelie]), beweert het ontstaan van een graancirkelformatie te hebben gezien én gefilmd.
Op verzoek van degene die de telefoon opneemt komt John naar het café en laat zijn opname zien. Intussen zijn de liefhebbers in het veld wezen kijken naar de nieuwe formatie, die er slordig uit bleek te zien. Op het scherm van Johns digitale videocamera zien de aanwezigen hoe lichtbollen over een schemerdonker graanveld scheren en dat er ten slotte een formatie ligt. John heeft echter haast en vertrekt, zijn film meenemend, vermoedelijk naar Amerika. De komende twee weken heeft hij sporadisch nog contact met enkele onderzoekers, waarna hij spoorloos verdwijnt. Intussen is Oliver’s Castle Footage overal bekend én berucht geworden. De ene filmkenner zegt dat hij echt is, de ander dat hij vervalst is. En de maker lijkt van de aardbodem verdwenen. Tot enkelen die hem hebben ontmoet in Alton Barnes in Bristol een filmmaker op het spoor komen met de naam John Wabe, die sprekend lijkt op ‘Welie’ en die met de opname in verband lijkt te staan. De man blijkt niet erg veel zin te hebben in media-aandacht en weet zich uiteindelijk weer onvindbaar te maken, maar de ‘rechercheurs’ hebben genoeg gezien en gehoord om ervan overtuigd te zijn dat hij de vervalser van de video is. Tien jaar later bekent een John Wabe voor de Engelse tv dat hij de beelden gemaakt en vervalst heeft, maar daarvan nu spijt heeft. Graancirkelgelovigen als Janet Ossebaard twijfelen echter aan de echtheid van deze bekentenis omdat zijn verhaal enige tegenstrijdigheden bevat en op grond van analyse van de oren van Wabe en Whayley (voor degenen die hen als identiek zien) of Wheyleigh (voor wie hen als verschillend beschouwt) die niet hetzelfde zouden zijn. Maar wat er dan met die Wheyleigh gebeurd is blijft een raadsel.

maandag 5 juni 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 4)

Laat in de zomer van 1992 trekt een groepje van drie cirkelmakers, na de nodige voorbereidingen aan de tekentafel, tegen de nacht een Engels graanveld in via de trekkersporen, zet met een lint de hartlijn van de bedachte formatie uit en tijgt aan de arbeid. Na een uur staan de mannen even de vorderingen te bespreken als een vreemd verschijnsel hun aandacht trekt. Een oranje bol ter grootte van een voetbal hangt bewegingloos een meter of twaalf boven het maaiveld. Na een paar seconden daalt de bal en vervaagt, totdat hij onzichtbaar is geworden. Als het dag is geworden is er van de lichtbol geen spoor. Wel blijken er dat jaar veel lichtverschijnselen te zijn gemeld, en de graankunstenaars vragen zich af: zijn we getuige geweest van een natuurverschijnsel of werden we geobserveerd door de echte cirkelmakers?

Lichtbollen, vaak kortweg aangeduid met de Engelse term "orbs", vormen een uiterst raadselachtig fenomeen. Op foto’s – vaak digitaal, maar ook wel analoog – worden regelmatig witte vlekjes aangetroffen die tijdens het fotograferen niet waargenomen werden en die ook niet te verklaren zijn uit fouten in de apparatuur (fotograaf Ed Vos analyseerde bijvoorbeeld zeer veel foto's voor zijn boek Orbs en andere lichtfenomenen). Soms worden ze zelfs gefilmd (onder meer door de Fransman Pierre Beake) en af en toe zijn ze ook met het blote oog te zien; vooral in het donker, krijg ik de indruk. Vaak zijn ze wit, maar ook geel, oranje, rood en paars komen voor.
Deze lichtbollen – die overigens niet altijd perfect bolvormig zijn – lijken echter niet overal voor te komen, maar zich te concentreren op bepaalde plekken, "krachtplaatsen" – plaatsen in het landschap waar in veel gevallen in voorchristelijke tijd al een heiligdom of ander heidens cultisch centrum was; Stonehenge is een beroemd voorbeeld, evenals het Witte Paard van Uffington en de steencirkel van Avebury. Maar zulke krachtplaatsen komen niet alleen in Engeland voor, want ze zijn wereldwijd.
Wichelen – prachtig woord, "wichel" – blijkt een eeuwenoud gebruik te zijn dat onder andere toegepast werd bij het kiezen van de juiste plaats voor een heiligdom – niet toevallig blijken dergelijke plaatsen gewoonlijk te liggen op een kruispunt van energiebanen. Het bleek zelfs zo te zijn, dat een reeks oude heidense heiligdommen in Engeland op een lijn bleek te liggen, een verschijnsel dat over de hele wereld bleek voor te komen. In de tweede helft van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, een tijd waarin voor dergelijke vaagheden in wetenschappelijke kring geen ruimte meer was, slaagden onderzoekers erin dit oude patroon uit de vergetelheid op te diepen, totdat de bevindingen in 1921 opeens vorm kregen voor de ogen van Alfred Watkins. Op een zomerse dag reed hij te paard door de heuvels van Zuid-Engeland, toen voor zijn ogen plotseling het landschap veranderde. Op de grond verschenen vurige rechte lijnen, een rechthoekig patroon vormend over de heuvels en door de dalen zover het oog reikte. Op de meeste van de kruispunten stond een oude gewijde plaats – heiligdom, steenkring, grafheuvel, kasteel of zelfs kerk. Toen verdween het beeld weer.
Atkins verbond aan deze energiebanen het oud-Germaanse woord ley – gereinigde grond.

Volgens deze tekst uit Schaduw van de werkelijkheid (zie hiernaast) liggen de krachtplaatsen dus op een kruispunt van leylijnen. Weer zoiets raadselachtigs. Bestaan die leybanen echt? Vele paranormaal begaafden zijn overtuigd van wel. Niet toevallig plaatsten de oude Kelten en Germanen, met hun sjamanen, hun heiligdommen op een plek waar nu de wichelroedes uitslaan en verschijnselen als lichtbollen worden waargenomen.

Centra zijn gemeld in alle provincies; bijvoorbeeld onder de OLV-toren in Amersfoort, de plaats waar destijds de torens van de Salvatorkerk in Utrecht verrezen (nabij de Domtoren), de Cunerakerk in Rhenen, de Koningstafel op de Grebbeberg, de Duivelsberg bij Beek-Ubbergen, meerdere plaatsen in Ede en nogal wat in Drenthe, veelal op of nabij de plaats van een hunebed.
De Duivelsberg draagt die naam niet voor niets. Volgens oude verhalen spookte het er, er werden geesten en lichten gezien. Vreemde lichtverschijnselen zijn trouwens eveneens elders waargenomen, ook in ander verband. Wat bijvoorbeeld te denken van de spaaklichten op zee, die over de hele wereld worden waargenomen? Of de volksverhalen van brandende strobossen die jarenlang 's nachts werden waargeno-men nadat een boer zelfmoord had gepleegd; of dat verhaal uit Opende in de noordelijke provincie Groningen –
“Elke oavond om tien uur kwam der altyd in groat licht answeven by de Leidyk. Mem sei dan: "Wat kan dat toch sijn", want doar was in heel groat gat. Doar kon noait wat overheen rijdn. Dat licht kwam de kant fan Mearum út weg. Loater kwam de tram doar langs presys in deselfde tyd 's oavends tien uur. Dat het dat licht toen west.”
Een voorspellende intelligentie?

Tot zover Schaduw van de werkelijkheid. De vraag dringt zich op: vormen de aardenergiebanen een schaduw van de werkelijkheid? Een verbinding met een paralelle werkelijkheid misschien? Of gewoon een nog onverklaard natuurverschijnsel? Dat ze domweg verbeelding zijn is volgens mij niet vol te houden. Maar leybanen en lichtbollen onttrekken zich (vooralsnog) aan natuurwetenschappelijke toetsing, en dat is mede wat ze zo boeiend maakt.

maandag 29 mei 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 3)

Spannende verhalen in de aflevering van vorige week, maar wat moet je ermee? Ooggetuigenverslagen die zeker tot de verbeelding spreken. Maar je zou ze de kost moeten geven die ze met gemak terzijde schuiven: “De verbeelding zal hen wel parten gespeeld hebben.”
Nu moet je van mij niet verwachten dat ik hier een sluitend bewijs zal leveren waarom die verhalen wel betrouwbaar zijn of juist niet. Graancirkels zijn namelijk veel te geheimzinnig om in een schema gevangen te kunnen worden.
En ze zijn er al eeuwen.

De Zoeloe-sjamaan Credo Mutwa vertelde aan onderzoeker Andreas Müller dat in Afrika al meer dan vierduizend jaar graancirkels ontstaan. In het Zoeloe worden ze "izishoze zamatongo" genoemd, tekens van de goden.
In 815 schreef Agobard, de bisschop van Lyon, over graancirkels in zijn omgeving, waarvoor hij buitenaardse 'Magoniërs' verantwoordelijk achtte.
In 1678 verscheen in een Engelse krant een verhaal over een graancirkel, met een afbeelding van een duiveltje dat met een zicht een kring in het staande graan maait.
Verscheidene boeren in Nederland vertellen hoe ze als kind op het land van hun (groot)ouders in graancirkels speelden. “De elfjes hebben weer kermis gehad,” zei men thuis dan.
Tegen het einde van de jaren zeventig kwam er een kantelpunt: er ontstonden steeds meer graancirkels, in steeds complexere vorm. En er kwamen ‘graankunstenaars’.

Wekenlang werken Remco Delfgauw en een groep handlangers aan een project dat de grootste graancirkel ter wereld moet opleveren. Regelmatig komen ze samen rond tekentafel en computer om de plannen door te spreken. Dan, op de avond van 6 juli 2009, worden de laatste voorbereidingen getroffen, want het ontwerp is klaar. Vijftig man telt de groep nu die de formatie in een Zeeuwse graanakker moet platleggen, verdeeld over zes ploegen die elkaar moeten aflossen tijdens het zware werk. Met busjes vol spullen en mensen rijden ze in het donker naar het veld, waar ze via trekkersporen het land in lopen, met GPS de coördinaten uitzetten om vervolgens met behulp van pvc-buizen de juiste banen en cirkels graan plat te leggen. Er wordt zorgvuldig gewerkt om zo min mogelijk sporen achter te laten. Vóór zonsopkomst is de klus geklaard en als het dag wordt onthullen luchtfoto’s een reusachtige vlinderformatie. Project Atlas trekt de aandacht van de media. Delfgaauw heeft bewezen dat graancirkels door mensen worden gemaakt; want tot nu toe werd aangenomen dat buitenaardsen de boosdoener waren.

Vreemd genoeg zijn er nog steeds mensen die geloven dat de meeste graancirkels door buitenaardsen worden gemaakt. Zijn die lui dan echt zo dom?

maandag 22 mei 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 2)

Op een warme, windstille dag in 1946 hoort H. Lagies tussen Welspang en Süderfahrenstedt in Duitsland opeens een fluitend geluid en ziet een drie meter brede tegen de klok in draaiende spiraal van plantenresten de lucht in gaan, gevolgd door vier smallere straalsgewijze eromheen – met de klok mee draaiend opstijgend tot een hoogte van zo'n achttien meter, op welke hoogte grote turbulentie ontstaat die de vijf kolommen samenbrengt tot een enkele wervelende zuil, opstijgend tot grote hoogte. Als de waarnemer op onderzoek uitgaat blijken er te plekke een grote centrale en vier smallere randcirkels te liggen, van dezelfde doorsnede als de graanzuilen.

In augustus 1985 ziet bakker Jean-Paul Goethals op weg naar zijn werk rond Assenede in België 's nachts drie witgrijze lichtende bollen boven een veld hangen. Na enkele seconden beginnen de bollen op en neer en rond te bewegen. Na enige tijd staan ze stil, om enkele ogenblikken later te verdwijnen. Op de terugweg vindt de bakker in het bewuste veld vier of vijf cirkels met een doorsnede van 6 tot 7 meter, de grootte van de waargenomen bollen.

In juli 1988 rijdt boer Tom Gwinnett uit Woolaston in Engeland op een avond langs een tarweveld, als plotseling de lampen van zijn auto doven. Meteen hoort hij een vreemd snorrend geluid en ziet hij in het aangrenzende korenveld een doffe rode bol ter grootte van een voetbal, die lijkt te bestaan uit vonkjes die afkomstig lijken uit de toppen van het graan. Een minuut of twee later verdwijnt de bol en gaan de koplampen van de auto weer aan. De volgende morgen vindt de boer op het veld op de bewuste plek een cirkel met een doorsnede van zo'n zes meter.

In 1998 waken David Kingston en anderen op Clay Hill in Engeland. Drie afzonderlijke lichtbollen met gekleurd licht en een doorsnede van ongeveer 1,8 meter zweven drie uren lang rond en boven de waarnemers op de top van Clay Hill. Op sommige momenten voegen ze zich samen in een enkele bol en scheiden zich vervolgens weer. Plotseling daalt één van de lichtbollen af en vliegt naar beneden in het veld aan de voet van de heuvel. Als de dag aanbreekt bemerkt Kingston een platgelegde cirkel in een veld tarwe.

Tijdens Walpugisnacht in 2000 waakt een grote groep graancirkelonderzoekers in de heuvels bij het Duitse Burghasungen. Om 1 uur lijken de lichten van het dorp aan de overkant van het dal geleidelijk te doven alsof er iets donkers van bovenaf voor schuift. Langzaam wordt de hele vallei onnatuurlijk donker en stil. Na een kwartier schijnt het Janet Ossebaard, Bert Janssen en de andere waarnemers toe alsof er langzaam een donkere stolp wordt opgetild, waardoor de elektrische lichten weer zichtbaar worden en de nachtgeluiden terugkeren. Een uur later gebeurt precies hetzelfde nog eens. De volgende morgen wordt na enig zoeken een verse formatie gevonden in één van de koolzaadvelden.

In augustus 2001 logeert Nancy Talbot in het huis van Robbert van den Broeke in het Noord-Brabantse Hoeven. Om 3 uur ’s nachts hoort zij koeien schor loeien en vijf minuten later opnieuw. Nog vijf minuten later wordt haar kamer door de dunne gordijnen heen een seconde lang helder verlicht door een zuil van licht die boven het bonenveld achter het huis moet hangen, en een seconde later een tweede en een derde keer. Robbert ziet het gebeuren vanuit de keuken. De volgende morgen blijkt er in het bonenveld een formatie te liggen.

In de namiddag van 7 juli 2003 zien drie tienerjongens boven een veld bij het Italiaanse Montegranaro een lichtbol verschijnen die een lichtbundel in het gewas neerzendt, waar de plek lijkt te gloeien. Als ze in het veld gaan kijken is er niets te vinden, maar de volgende dag ligt er een uit drie cirkels bestaande formatie.

Roy en Robbert zijn in de nacht van 3 op 4 juni 2014 onderweg naar huis als Robbert het gevoel krijgt dat er iets bijzonders gaat gebeuren in een bepaald tarweveld. Als ze de auto parkeren zien ze een gloeiende bol laag over de akker bewegen, die het hele veld oplicht. Via trekkersporen lopen ze het land in richting het licht, tot ze een luid ‘elektrostatisch gezoem’ horen en Robbert zegt: ,,Dit moet de plek zijn.” Op dat moment schiet de lichtbol pal voor hen door de toppen van het gewas en in het heldere schijnsel zien de mannen in één seconde vijf cirkels platgelegd worden in het jonge graan.

maandag 15 mei 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 1)

Nieuws: de eerste Nederlandse graancirkels van 2017 liggen er weer. Nou ja, eigenlijk grascirkels, maar "graancirkel" wordt vaak gebruikt als pars pro toto voor allerlei al dan niet cirkelvormige structuren in gras, gewassen of zelfs in het bos, in zand, in sneeuw en in ijs. Meestal geometrische, twee-dimensionale patronen waarvan de oorzaak onduidelijk is. De meest uiteenlopende theorieën doen de ronde, zoals je bijvoorbeeld hier kun zien. Wat moet je daarvan denken?

Een jaar of twintig geleden waren ze volop in het nieuws, graancirkels. Maar van een aantal is aangetoond dat ze door grappenmakers zijn gemaakt en de verhalen die rond de overige de ronde deden waren vermoedelijk te vaag om de doorsnee Nederlander lang te boeien. En in elk geval is het nieuwtje eraf. Maar een kleine groep ‘gelovigen’ houdt zich onverminderd geestdriftig bezig met het verschijnsel. Want nog steeds verschijnen er graancirkels. Over de hele wereld, en ook in Nederland. Maar de indrukwekkendste worden nog steeds gevormd in Wiltshire in Engeland.

Op een late avond in 1995 zullen Janet Ossebaard en Bert Janssen een nachtwake houden op Knap Hill, een plek in het Zuid-Engelse heuvelland waar de mooiste graancirkelformaties ontstaan en waar regelmatig vreemde dingen worden gezien, zoals lichtbollen en andere ongeïdentificeerde vliegende objecten (ovo’s oftewel ufo’s). Als ze bij de voet van de heuvel komen worden ze opgewonden aangesproken door een Duitser die daar bivakkeert en vertelt de vorige avond op slechts een paar meter afstand een lichtbol te hebben gezien die op zeker ogenblik begon te stuiteren en daarna verdween. Toen hij op die plek ging kijken bleken er twee verse grascirkels te liggen. Hij laat ze zien aan Bert en Janet, die daarna de heuvel beklimmen. De eerste wacht is voor Janet. Na een uur hoort zij achter zich een “elektrostatisch geknetter”, zoals bij vochtig weer onder een hoogspanningsleiding te horen is. In plaats van zich om te draaien naar het geluid raakt ze in een gelukzalige toestand ("bliss" noemen de Engelsen dat, hoort ze later) waarin ze alleen maar gevoelens als liefde en harmonie ervaart en het niet bij haar opkomt Bert te wekken of het geluid op te nemen. Het geluid verplaatst zich, komt daarna dichterbij en opeens hoort Janet in haar hoofd: ,,Welcome, we are so glad you are here, we are so happy we finally meet…” Dan verdwijnt het.
Om half 3 is het tijd dat ze Bert wakkermaakt voor zijn wacht. Die vraagt of er nog iets bijzonders gebeurd is. ,,Nee,” antwoordt Janet, nog steeds met een gelukzalige glimlach, zonder te beseffen dat haar toestand vrij bijzonder is. Tien minuten later komt het geluid terug en hoort Bert het ook, en al ervaart hij niet zulke overweldigende gevoelens, ook hij voelt geen behoefte om de zaak te gaan onderzoeken.
Tegen de ochtend maakt Bert Janet wakker en zegt: ,,Zie je dat licht daar? Wat is dat?” Maar Janet ziet niets, ook al ziet Bert duidelijk een groot licht langzaam van rechts naar links bewegen. Dan dalen ze zwijgend de heuvel af en zien tot hun verrassing dat er een derde grascirkel is ontstaan, duidelijk zichtbaar in het lange gras aan de voet van de heuvel. Beiden hebben onlangs een wichelroede gekocht; “ik geloofde daar nog helemaal niet in; Bert ook niet, maar “nou ja, laten we het maar eens proberen” – nou, die gingen, terwijl ze hingen, tegen de zwaartekracht in omhoog, zó sterk” was de energie in de cirkel.

Janet omschrijft deze gebeurtenis later (in haar boek Graancirkels. Het bewijs en in de dvd Graancirkels, vingerafdrukken van de goden) als haar eerste ontmoeting met “de cirkelmakers”. Wat, cirkelmakers? Eerder in het boek en in de video geeft Ossebaard juist een natuurlijke verklaring voor het ontstaan van graancirkels. Wat is er aan de hand?

maandag 8 mei 2017

Van Emsteɔdem naar Joetҩekt

Het is alweer even geleden dat ik met de trein in West-Nederland was, maar toen waren er nog gunstige uitzonderingen. Ik hoop van nog steeds. Uitzonderingen in wat? In het verengelsen van Nederlandse plaatsnamen.
Next station: Skiphol.” Of “Sjiphol”, dat gebeurt ook.

In het novembernummer van het tijdschrift Onze Taal besteedde Riemer Reinsma aandacht aan dit verschijnsel. Misschien heb je je zelf wel eens schuldig gemaakt aan het verengelsen van de naam van onze hoofdstad tot “Emsteҩdem”. Ik wel, moet ik tot mijn spijt bekennen. Het gaat zo makkelijk, hè, in een gesprek met een Engelsman of anderszins Engelssprekend wezen. Het klinkt zo vreemd, nietwaar, “This is the road to Amsterdam.” Maar waarom niet? Riemer Reinsma beproeft enkele verklaringen, waarom het bijvoorbeeld meestal “Joetrekt” wordt in plaats van “Joetrecht”, waarom velen kiezen voor “Sloterdiek” in plaats van “Sloterdaik”, hoe je "Schiphol" kun verbasteren, of zelfs "Nijmegen" (“Naimeġġen”) en "Gouda" (“Goeda”). Hij is niet erg blij met deze gedrochten, maar ik mis iets in het artikel. Het lijkt er namelijk vanuit te gaan dat dit soort gehaspel onontkoombaar is. En dat is het zeer zeker niet.

1.     Er zijn (of althans waren in mijn tijd) nog altijd conducteurs die de betreffende namen wel netjes uitspreken: “Next station is Schiphol”.

2.     Het verduidelijkt weinig of niets; een buitenlander begrijpt “Amsterdam” net zo goed als “Emsteҩdem”. Misschien is voor een Engelstalige buitenlander “Joetɔekt” wat duidelijker dan “Uutrecht”, maar voor een Frans-, Arabisch-, Bulgaars- of anderstalige buitenlander die zich hier in het Engels probeert te redden echt niet.

3.     Cultureel gezien zouden we het niet moeten willen (vgl. Engels op de universiteit). In het buitenland gaan ze voor ons hun plaatsnamen echt niet op z’n Nederlands uitspreken; dat wij het andersom wel doen getuigt m.i. van een gebrek aan cultureel zelfbewustzijn, zoals Piet Gerbrandy het noemt en zoals ik eerder schreef naar aanleiding van een liedje van Jeroen van Merwijk.

Kortom: het radbraken van Nederlandse plaatsnamen tegenover buitenlanders is meer een uiting van gemakzucht dan van taalvaardigheid en meer een uiting van gebrek aan zelfvertrouwen – dus angst – dan van behulpzaamheid.
Als wij al zo slordig omspringen met onze eigen plaatsnamen als er toeristen in de buurt zijn, hoe moet het dan gaan met ons cultureel erfgoed? Nederland is beroemd om de Volendamse klederdracht, maar wordt die ‘in het echt’ nog wel gedragen? Klompen staan er weinig beter voor. De tulp is een uitheemse bloem. Toeristen komen af op de culturele eigenheid van een land, maar wij zijn hard bezig de Nederlandse te vernietigen. Denk bijvoorbeeld aan de verschillende agrarische landschappen en de dialecten en oude ambachten. En dan ook de plaatsnamen.
Laten we dus subiet ophouden met die flauwekul.

maandag 24 april 2017

In memoriam: de negentiende eeuw

Zaterdag een week geleden overleed op 117-jarige leeftijd de Italiaanse Emma Morano, de laatste mens die geboren was in de negentiende eeuw. Daarmee is het laatste draadje dat ons nog met die eeuw verbond doorgesneden. Onder de levende wezens resteren nu alleen nog bomen en een paar diersoorten die de jaren 1800 hebben meegemaakt. Maar aangezien planten en dieren zich weinig aantrekken van menselijke jaartellingen, en geschiedenisboeken en monumenten levenloos zijn, betekent het overlijden van Emma Morano het definitieve afscheid van de negentiende eeuw, ongeborenen buiten beschouwing gelaten (de Japanse Nabi Tajima en de Jamaicaanse Violet Brown zijn verwekt in 1899 en nu nog onder de levenden).

De negentiende eeuw heeft net als alle andere eeuwen oorlogen gebracht; ook bereikte het Europese kolonialisme er een hoogtepunt. In de Verenigde Staten van Amerika werden de laatste vrije indianen uitgeroeid.
In de negentiende eeuw kwam de industrialisatie op, met als gevolg milieuvervuiling en uitbuiting van fabrieksarbeiders.

Toch was de negentiende eeuw ook een mooie tijd. Ondanks de armoede die op veel plaatsen nog heerste was er in de westerse wereld veel schoonheid te vinden. In de mode, bijvoorbeeld; de negentiende eeuw was de tijd van de echte dames en heren, de tijd waarin de schoonheid van dameskleding een hoogtepunt bereikte. En dat gold ook voor de schone kunsten, met name de schilderkunst en de muziek.
Hoewel, eigenlijk was de Avondlandse cultuur al over zijn hoogtepunt heen. De muziek en schilderkunst waren nog van hoogstaande kwaliteit, maar de mogelijkheden raakten uitgeput, en de destructieve twintigste eeuw stond klaar. Alvorens zich in die rationeel-materialistische afgrond te storten blikt de negentiende-eeuwer nog eenmaal terug, mijmerend over zijn verloren jeugd, zoals Spengler het omschrijft; de Romantiek deed zijn intrede. De cultuur van ons Avondland is, op misschien wat te alledaagse wijze, te vergelijken met de beklimming van een huis: voorgevel, een oplopend zadeldak, na de nok (Barok) weer afdalen – de Romanticus slaagt erin, terugkijkend naar het schone verleden, nog enige tijd te blijven hangen in de dakgoot om dan als Rationalist op het platte keukendak te vallen.
Eigenlijk begon de Romantiek al in de achttiende eeuw met boeken als Goethes Die Leiden des Jungen Werthers, maar de negentiende eeuw was de eigenlijke eeuw van de Romantiek. Muziek, dans en realistische schilderkunst bloeiden als nooit tevoren, met prachtige feestavonden, lieflijke prieeltjes en kunstenaars als Albert Bierstadt, William-Adolphe Bourghereau, John William Godward, Daniel Ridgway Knight, Barend Cornelis Koekkoek en Edmund Leighton.
De schoonheid van de natuur werd herontdekt, bewonderd en bejubeld in welluidende gedichten.

Het Nederlandse cultuurlandschap was rond 1850 op zijn fraaist. Helaas waren de oerbossen ontgonnen (het laatste Nederlandse oerbos, het Beekbergerwoud, sneuvelde in 1871), maar wat ervoor in de plaats was gekomen was toch bijzonder rijk en kende de hoogste biodiversiteit ooit. Het verkavelingspatroon verschilde per streek en toonde feilloos de grondsoort en de geschiedenis. Schrale kavels met een zeer hoge soortenrijkdom aan planten en kleine dieren werden van elkaar gescheiden door houtwallen vol vogelnesten of sloten vol waterleven. Boeren werkten, zij het noodgedwongen, nog samen met de natuur en kenden over het algemeen aardig wat planten en dieren. Ook werkten ze samen met elkaar, bijvoorbeeld in de hooibouw, die nog volledig afhankelijk was van handwerk en paardenkracht. De koeien bezaten hoorns en misten lelijke oormerken. Lawaaierige machines en auto’s waren nog nagenoeg afwezig, mensen hadden de tijd om te voet met een koe of een mand vol eieren naar de markt te gaan en een praatje te maken met deze of gene.
De boeren voelden zich voor het welslagen van hun oogst nog ten volle afhankelijk van de hemel en bijna alle mensen geloofden nog in God. Dat was waardevol.

De twintigste eeuw heeft ons goede dingen gebracht, maar in vele opzichten was de voorgaande beter en mooier.
Vaarwel, negentiende eeuw. Vaarwel, goede oude tijd.

maandag 17 april 2017

Koeien in de wei

Lentefeest. De lente, daar horen eitjes bij, en bloemen. En koeien in de wei.

“Mei, koeien in de wei”, heette het vroeger. Tegenwoordig kunnen ze al in april naar buiten, maar toch liggen de meeste graslanden er verlaten bij. Daar moet verandering in komen, vond de politiek. En deze keer geef ik haar gelijk, ondanks dat het door hele volksstammen geroepen wordt, burgers die niks van boeren weten. Laatst schreef ik lovend over de SGP, maar op dit punt ben ik het toch met die partij oneens. Het “verdienmodel” van de boeren moet niet ten koste gaan van weidegang, want het achterwege laten van weidegang gaat ten koste van de beleving van het Nederlandse landschap en van de natuur. Begraasd weiland is namelijk, mits de begrazingsdruk niet te hoog is, aantrekkelijker voor insecten en voor weidevogels. Dus moeten de koeien weer naar buiten.

Ja, waarom niet? Vanwege het verdienmodel. Een boer rekende me voor: twee cent per liter melk aan gewasverlies, want koeien vertrappen gras en bemesten het te onregelmatig. Eén cent per liter aan kosten voor omheining en dergelijke; en twee cent verdriet. Oftewel: extra werk. Iedere dag de koeien naar buiten laten en later weer binnenhalen. Mooi werk, maar voor de zakelijk ingestelde boer te omslachtig. Tenzij de melkfabriek er extra geld tegenover stelt. Twee cent per liter.
Voor sommige boeren is dat net genoeg om hen over de streep te helpen toch weer te gaan weiden. Dat wordt lachen, want hoe weten koeien die hun hele leven op stal hebben gestaan hoe ze moeten grazen? Er schijnen weken overheen te gaan voordat ze het snappen, tenzij ze kunnen meelopen met koeien die het kunstje van tong om gras heen slaan en afsnijden nog kennen – dan kunnen de binnenstaanders het in een paar dagen leren.

Het is waar, beweiding is slecht voor het milieu. Meer ammoniakuitstoot, minder benutting van de grond. Maar een soortgelijke strijdigheid geldt voor de meeste landbouw- en milieugerelateerde zaken: weidevogelbeheer, scharrelkippen, onthoornen, windturbines, noem maar op. Mijn mening is dat de voordelen van beweiding opwegen tegen de nadelen.

In 2020 moet 80% van het aantal Nederlandse melkveehouders weidegang toepassen, anders wordt het verplicht. Het werkelijke aantal schijnt er nu, ondanks de lege weiden, niet ver onder te liggen. Deels zal dat komen doordat de meesten hun vee pas naar buiten doen na de eerste snee, het malse voorjaarsgras voor in de kuil. Deels ook doordat het minimum voor weidemelk ligt op 120 dagen per jaar 6 uur. Dat komt neer op slechts een twaalfde deel van de totale tijd. En da’s niks veul. Dus ik zou de koên mer lekker n’r bute doên, a‘k joe was. He’n ze schik van.

maandag 10 april 2017

De heilige koe

De postbode probeert het pakketje in de brievenbus te duwen, maar het blijft er voor de helft uitsteken. Dat is de ellende van die brievenbussen met de opening aan de zijkant; als die aan de bovenkant zit gaat het eigenlijk altijd. Nou ja, dan maar aanbellen. Hij stuurt zijn fiets met fietstassen naar de aan de zijkant van het huis geplaatste voordeur, langs de auto van de bewoners. Past precies. Afstappen is met die zware tassen niet altijd handig. Op aanbellen doet een mens van een jaar of vijfenzestig de deur open.
,,Pakketje, alstublieft.”
Geen bedankje, maar een berisping. ,,Wil je niet met je fiets langs mijn auto gaan?”
,,Het gaat helemaal goed, mevrouw. Ik heb het vaker gedaan.”
,,Ik zet mijn auto juist zo ver mogelijk op de oprit en jij fietst er maar langs. Pas had ik nog een kras op de lak.”
De postbezorger antwoordt niet meer, maar rijdt zijn fiets achteruit terug naar de straat. Sommige mensen zijn niet voor rede vatbaar.

In India heb je de heilige koeien. Hindoes zullen koeien nooit kwaad doen; vanwege het grote nut voor de mens heeft het dier in het hindoeïsme een heilige status gekregen. Wij in ons verlichte Westen doen niet aan heilige koeien; wij vereren heilig blik.

In Italië gaat de mensen wat nonchalanter om met auto’s. Tegen een muur of tegen een andere auto parkeren schijnt daar dagelijkse praktijk te zijn. Een verademing voor de postbode en andere mensen die wel eens in aanraking zijn gekomen met mensen die overbezorgd zijn over het uiterlijk van hun vervoermiddel – wie niet?
Goed, het is niet verkeerd om zuinig te zijn op je spullen, maar Nederlanders zijn compleet doorgeslagen als het om hun auto gaat. Hun auto is hun statussymbool, en het minste krasje kan blijkbaar hun status, hun zelfvertrouwen of hun welbevinden schaden, of misschien wel alle drie. Tja. Misschien hebben we niets anders om ons druk over te maken.

maandag 3 april 2017

Erdogan rukt op

Vrijheid van meningsuiting steeds meer onder druk

Tja, Frankrijk. Dat is een raar land, waar je zulke dingen van kun verwachten, zie bijvoorbeeld dit bericht. Zulke dingen – als het gaat om het inperken van de vrijheid van meningsuiting, onder het motto, of wellicht moeten we inmiddels zeggen "mom" van "vrijheid, gelijkheid en broederschap", de leus van de nietsontziende Franse Revolutie. In december is daar een wet aangenomen die verbiedt negatieve informatie over abortus provocatus te verspreiden die vrouwen die aan die optie denken zou kunnen overhalen ervan af te zien. Ook mocht het filmpje Dear Future Mom niet op tv worden vertoond. Het mediaregulerend gedrag van Poetin en consorten roept in een land als Frankrijk kennelijk bewondering op.

Turkse toestanden ook in Spanje. Tja, het land dat rond 1500 zijn joodse bevolking verdreef dan wel uitroeide, en rond 1600 op wrede wijze zijn protestanten uitmoordde. Dat was ten behoeve van het rooms-katholieke geloof; inmiddels viert er een ander geloof hoogtij.
In sommige regio's schijnen wetten seksuele voorlichting aan kleuters te verplichten, met bijzondere aandacht voor anders-geaardheid – de LHBT-lobby is er sterk. Dat bleek ook toen HazteOir, de Spaanse tak van de organisatie CitizenGo, geen toestemming kreeg een reclamecampagne te voeren tegen een onsmakelijke LHTB-reclame. Toen de organisatie daarom een bus met een tegenleus door Madrid liet rondrijden werd die door de autoriteiten opgesloten en kwam er een stroom van bedreigingen (!) op gang, gevolgd door heftige debatten over de vrijheid van meningsuiting. Dat nog wel.
Afgelopen week ging de organisatie met de gewraakte bus – nu met Engelstalige belettering – naar de VS om te demonstreren bij het VN-gebouw in New York ter gelegenheid van een vergadering van de Commissie voor de Status van Vrouwen. Wat denk je dat er gebeurt? De bus wordt beschoten. Beklad en doorzeefd met kogels; de chauffeur komt er met lichte verwondingen vanaf.

Maar het komt ook dichter bij huis. België is hard bezig zijn katholieke wortels te verbranden. Ook in België is de haat tegen alles wat riekt naar Pro Life (vóór het leven) groot. Anderhalve week geleden werd een gastdocent van de Université Catholique (!) de Louvain ter verantwoording geroepen omdat hij in een artikel had aangetoond dat abortus moord is. Kennelijk mag hierover op de universiteit geen discussie worden gevoerd.

En Nederland? Een land dat tot nog toe verschoond is gebleven van een terroristische aanslag in de reeks van de afgelopen anderhalf jaar en evenmin zulke uitspattingen kent als hierboven geschetst… Is het waar? We kennen al de verplichting voor trouwambtenaren, en ook in het (bijzonder) onderwijs worden de regels omtrent politiek welgevallig gedrag strenger, om maar wat te noemen. Ach ja, misschien moeten we het ook maar laten gaan. Het is tenslotte wel zo makkelijk als anderen voor je nadenken.


maandag 27 maart 2017

Papoea's en apps

Ze zijn aan de orde van de dag, sterker nog: voor hele volksstammen bepalen ze zo'n beetje hun complete leven: internettelefoons en daarop geïnstalleerde toepassingen. In de gebruikelijke modetaal: i-phones en smartphones met apps. Nu moet ik bekennen dat ik die termen niet graag gebruik; omdat ze onnodig Engels zijn en wat de laatste, "app" betreft, omdat het gewoonweg een afschuwelijk 'woord' is; ieder met enig esthetisch gevoel zal dat beamen, denk ik. Het is niet eens een woord, maar een afkorting, van "application", applicatie, toepassing. Ik praat daarom graag enigszins spottend van "aap", ook al heb ik het gevoel dat ik daarmee onze klauterende medeschepselen beledig. Maar goed, genoeg over de termen, het gaat me nu om de zaken zelf.

De aanleiding was het volgende. Wycliffe Bijbelvertalers is een organisatie die ongelooflijk veel nuttig werk doet door, de naam zegt het al, de Bijbel te vertalen, in zo veel mogelijk talen waarin de Bijbel nu nog niet beschikbaar is. Omdat de grotere talen inmiddels over een eigen bijbelvertaling beschikken werken de vertalers van Wycliffe tegenwoordig voornamelijk in de meest afgelegen gebieden op Aarde, zoals de binnenlanden van Afrika, de eilandjes in de Stille Oceaan en de berggebieden van Nieuw-Guinea. Vooral op dat eiland worden onwaarschijnlijk veel talen gesproken, het loopt tegen de duizend. Nog wel.

De Papoea's, die verantwoordelijk zijn voor deze grote verscheidenheid aan talen (iedere stam spreekt zijn eigen taal), komen in toenemende mate in aanraking met de westerse cultuur; eerst in de kustgebieden, vervolgens in de binnenlanden. Dat heeft onder andere tot gevolg dat ze scholing krijgen, Indonesisch en/ of Engels leren en dan hun oude taal en cultuur de rug toe keren. Een moeilijkheid waar Wycliffe tegenaanloopt in dit gebied is dat de Papoea's geen leescultuur kennen en die zich ook slecht eigen maken. En dat terwijl het onderwijs bijna alleen maar in het Engels plaatsvindt. Nu hebben de veldwerkers, om deze mensen toch de gelegenheid te geven de Bijbel te leren kennen en vooruit te komen in de wereld, apps te ontwikkelen waarmee ze Engels kunnen leren en de Bijbel kunnen lezen.
Nu zal ik niet ontkennen dat deze mensen het beste voor hebben met de Papoea's, en evenmin dat zij hen beter kennen dan ik. Toch meen ik een paar kritische kanttekeningen te moeten plaatsen.

De eerste betreft het gebruik van internettelefoons en de tweede de opmars van meerderheidstalen als het Engels; ze komen samen in één begrip: kolonialisme.
Het begon rond de zestiende eeuw toen Europeanen de aardbol gingen verkennen en vervolgens nederzettingen gingen stichten in nieuw-ontdekte gebieden. Wingewesten werden het, waar ze door ruilhandel met de 'wilden' grote rijkdommen vandaan haalden. Ook handel in wilden werd winstgevend.
Vele inboorlingen werden gedood door een Europese kogel of een Europese ziekte of werden gedwongen de leefwijze van de kolonisator over te nemen. Pas later kwamen er zendelingen die niet uit waren op eigen voordeel maar op het heil van hun medemensen. Helaas ging zending en missie vaak samen op met handel, dwangarbeid en 'ontwikkeling' van de achtergebleven volksstammen "die nog in het stenen tijdperk leven". Ondanks dat slavernij in onze streken inmiddels is verboden, de meeste voormalige koloniën inmiddels zelfbestuur kennen en het politiek incorrect is donkerhuidige mensen als minderwaardig te beschouwen, is het kolonialisme nog allerminst verdwenen. Dat "stenen tijdperk" klonk bekend, toch?
Nog altijd zijn allerlei bedrijven, overheidsinstanties en ontwikkelingsorganisaties erop uit de achtergebleven gebieden te 'ontwikkelen', beschaving en economische groei bij te brengen. Vaak met de beste bedoelingen. Intussen gebeuren er twee dingen, die ook weer met elkaar samenhangen:
A    Bestaande culturen, talen en gebruiken worden weggedrongen door dominante culturen en talen. Aanvankelijk door aggressief anti-minderhedenbeleid vanuit de overheid (in 'beschaafde' landen als Canada en Australië gebeurde dat nog tot na de Tweede Wereldoorlog en in sommige andere landen nog steeds). En nu doordat minderheden uit zichzelf overstappen op de dominante taal, naar de stad verhuizen en hun cultuur kwijtraken. Dat komt hierdoor:
A    Wij westerlingen hebben onze ontevredenheid geëxporteerd. Meer, meer, meer. Op tv zie je reclame voor iets, je buurman heeft het, jij wil het ook. Nieuwe smartphone op de markt? Die wil je ook. Al drie jaar bij dezelfde baas? Tijd voor een carrièresprong. Tien euro per uur verdienen is veel te weinig. Eén vakantie per jaar is veel te weinig. En dicht bie huus, da's jao veul te min. Als vrouw thuisblijven voor je kinderen is echt uit de tijd, je moet ook om jezelf denken.
En het is zielig dat sommige minder ontwikkelden die mogelijkheden niet hebben. Zijn ze niet gewend om te lezen? Goed, dan geven we hen toch een mobieltje met een taal-app, kunnen ze tenminste hun hele jeugd in de schoolbanken verslijten en straks in de stad carrière maken.
Beetje gechargeerd en over-idealistisch gesteld, maar toch. Culturele rijkdom toont net als biodiversiteit iets van de veelkleurige wijsheid van de Schepper. Ik ben van mening dat we exotische volken niet meer westerse cultuur moeten aanbieden (opdringen) dan het Evangelie, dat in beginsel niet westers is maar oosters.


maandag 20 maart 2017

Bizarre kanselruil

BARNEVELD – Gisteren heeft er een ongebruikelijke ‘kanselruil’ plaatsgevonden tussen twee van de grootste Barneveldse kerken. Ds J. Roos van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGN) preekte in de Midden-Nederland-Hallen (MNH) voor de Doorbrekers, terwijl de voorganger van die gemeente, Peter Paauwe, preekte in de Hoeksteen.

idealisten

Deze bijzondere gebeurtenis vond plaats nadat een klein groepje idealisten hierop jarenlang had aangedrongen bij de beide voorgangers. Deze laatsten hebben uiteindelijk toegegeven en hebben hun eigen kerkleiding weten over te halen de kanselruil eenmalig toe te staan en mogelijk te maken. Ongetwijfeld met de nodige moeite.
De ‘actiegroep’ werd geleid door Edwin en Eline van Gehly. Edwin: “De kerkelijke verdeeldheid in Nederland doet ons pijn. Een zo verdeelde kerk is niet Gods bedoeling. En het gaat niet alleen over verdeeldheid, maar vooral ook over eenzijdigheid. Kerken hebben zich zo sterk gespecialiseerd in één of twee bepaalde leerstellingen dat ze de rest van de bijbelse boodschap uit het oog verliezen. In Barneveld is die verdeeldheid des te opvallender doordat de tegenpolen zo’n beetje de grootste en snelstgroeiende gemeenten zijn.” Eline: ,,Een aantal jaren geleden verspreidde Elsevier een bijzondere uitgave over het protestantisme in Nederland, waarin de aandacht werd gericht op Barneveld, juist vanwege die grote en totaal verschillende kerken. Toen dacht ik al: moeten kerken zich nu zo polariseren? Kan daar niets iets tegen gedaan worden? Toen hebben we een gebedsgroep opgericht om voor dit probleem te bidden en te zoeken naar een mogelijkheid om onderling begrip en respect te bevorderen tussen de verschillende kerken. Want Barneveld heeft op kerkelijk gebied zó veel te bieden: reformatorisch, evangelisch, Vergadering van Gelovigen, rooms-katholiek en ga zo maar door.”
Vervolgens zijn er besprekingen gevoerd met de kerkleiding van de meeste Barneveldse gemeenten, en in het bijzonder die van de Doorbrekers en de GGN. ,,Vanuit de GGN en andere reformatorische kerkverbanden wordt regelmatig gewaarschuwd tegen de Doorbrekers en hun verderfelijke leer en wereldse levensstijl,” licht Edwin toe. ,,De Doorbrekers op hun beurt trekken veel mensen uit de ‘zware’ kerken en bekritiseren de leer in die kerken ook regelmatig. Wat zou het dan geweldig zijn, dachten wij, als we, al was het maar voor één keer, de predikant van de zwaarste kerk een keer konden laten preken in de moderne evangelische gemeente, en omgekeerd hun voorganger een keer op de kansel in de grootste en behoudendste kerk van Barneveld te laten preken. We hebben er jarenlang voor moeten praten en bidden, maar nu is het toch gelukt.” Eline: ,,Goddank! We hopen dat het velen de ogen zal hebben geopend, dat het zal zorgen voor wederzijds begrip en dat het voor velen in die kerken en daarbuiten tot zegen zal zijn. En hopelijk vindt het navolging.”

boosheid

Dat de kanselruil mensen aan het denken gezet heeft is zeker. Maar of het ooit herhaald zal worden is zeer de vraag. Mogelijk gaat het nog gebeuren in gemeenten die minder van elkaar verschillen en elkaar niet beschouwen als ketters, maar Roos en Paauwe zullen vermoedelijk niet vaker van plek ruilen.
Paauwe had voor de gelegenheid een colbertjasje aangetrokken, maar stak toch sterk af bij de zwarte broeders van de kerkenraad. De ouderling van dienst was geïnstrueerd de prediker gewoon voor de dienst een hand te geven om hem Gods zegen te wensen, maar had er na afloop zichtbaar moeite mee om hem opnieuw de hand te drukken ter betuiging van instemming met het gesprokene. Het was moeilijk uit te maken hoe het voor Paauwe was om na zovele jaren weer eens een traditionele kerkdienst mee te maken.
Roos was gewoon in zijn zwarte pak. Hij kwam echter pas binnen zodra hij aan de beurt was om te spreken, om niet de hele tijd de keiharde, ‘wereldse’ muziek te hoeven aanhoren en het gehos van de muziekgroep te hoeven zien.
Beiden bedankten tijdens hun preek de gemeente voor de mogelijkheid op die ongebruikelijke plaats te mogen staan, en uitten hun zorg over de kerkelijke verdeeldheid. Vooral echter maakten ze van de gelegenheid gebruik om aan te geven waarin de toehoorders en hun leiders dwaalden.
Dit alles zorgde voor nogal wat ophef, en bij velen boosheid. Wat moet die ketter hier preken? zullen velen gedacht hebben, want zowel in de Hoeksteen als in de MNH zijn mensen tijdens de dienst boos weggelopen.
Zo bleken deze kerken, hoe verschillend ook, toch onverwachte overeenkomsten te vertonen.


maandag 13 maart 2017

Stem

Op een nacht verdwijnt de man van 'Shani' spoorloos. Hij was huiskerkleider en blijkt opgepakt te zijn door de autoriteiten en in de gevangenis te zijn beland, waar de ondervragingsmethoden bepaald niet zachtzinnig zijn. Shani is bang. Tot ze zelf ook wordt opgehaald.

Het is maar één van de talloze verhalen uit vooral Azië en Afrika, waar christenen en soms ook andere minderheden worden onderdrukt, opgepakt, mishandeld, vermoord; hetzij door de overheid, hetzij door buren die een ander, gewelddadiger, geloof aanhangen: islam, hidoeïsme, communisme. Sommigen van hen krijgen dankzij inspanningen van organisaties als Open Doors en Stichting De Ondergrondse Kerk (SDOK) internationale bekendheid. Bijvoorbeeld Asia Bibi (Aasiya Noreen), een jonge Pakistaanse christin die al jaren in een dodencel zit. De internationale aandacht heeft opgeleverd dat ze in hoger beroep kon gaan, maar dat heeft niet tot vrijspraak geleid. Sommige lotgenoten van haar zijn door internationale druk inderdaad vrijgekomen, maar anderen desondanks terechtgesteld. En het is slechts het topje van de ijsberg. Hoevele christenen (om het daar even bij te houden) worden er in elkaar geslagen, gevangen gezet, vermoord, zonder dat een buitenstaander ervan hoort?
Niet toevallig heet het tijdschrift van de SDOK "Stem van vervolgde christenen". Onschuldigen die worden onderdrukt om hun geloof verdienen onze steun. Ze hebben een stem nodig. Wij in ons vrije Westen zijn niet alleen op de wereld. Dat zij met hun standvastigheid de hemel 'verdienen' en uiteindelijk dus beter af zijn dan hun beulen moet voor ons geen reden zijn maar toe te kijken hoe Noord-Koreaanse christenen onder de meest mensonwaardige omstandigheden worden opgesloten in een werkkamp, hoe Nigeriaanse meisjes worden ontvoerd, hoe Syrische vrouwen worden verkracht en vermoord, hoe Indiase evangelisten in elkaar worden geslagen of vermoord, hoe Eritrese christenen worden opgesloten in een zeecontainer, hoe christelijke dorpen in Soedan worden gebombardeerd, hoe de wetgeving in verscheidene Aziatische landen steeds meer beperkingen oplegt voor niet-geregistreerde geloofsgroepen. Geef de onderdrukten een stem.

maandag 6 maart 2017

SGP, daar red je levens mee

Wie weet waar de afkorting "SGP" voor staat? Ik wel. Super goede partij.
Nja, beetje flauw misschien, zeker omdat ik het al eerder heb gezegd, maar 't is wel waar. Dan denk ik niet zozeer aan het landbouwbeleid – daar zou veel voor en tegen te zeggen zijn – en zeker niet het economisch beleid. Zelfs denk ik dan niet in de eerste plaats aan het feit dat de SGP het bijna als enige voor Israël opneemt, of het feit dat de oudste partij van Nederland als enige opkomt voor eenverdieners, die door de overheid op ronduit schandalige wijze worden uitgebuit. Of het feit dat de Staatkundig Gereformeerde Partij het als enige opneemt voor vrouwen, want daar komt het wel op neer. Of voor de vrijheid van meningsuiting.

De belangrijkste reden waarom ik jou en u aanraad SGP te stemmen heeft te maken met de verkiezingsleus: Stem voor het leven. Zoals dat gaat bij hedendaagse slagzinnen is ook deze dubbelzinnig. Dubbel zinvol.
De SGP, daar red je levens mee. Voor de zekerheid heb ik op het internet even gezocht naar deze uitdrukking, en hij blijkt eerder ook al door anderen te zijn bedacht. Nou ja, dat zij zo. Kennelijk is het een goede spreuk. Want waar is zij zeker.

Een heikel punt bij deze verkiezingen is de discussie rond 'voltooid leven'. Ouderen die niet ondraaglijk lijden maar gewoon vinden dat ze lang genoeg hebben geleefd zouden volgens sommigen geholpen moeten worden bij levensbeëindiging. Liefst met een pilletje dat bij de apotheek te krijgen is. ChristenUnie en SGP zijn hier terecht faliekant op tegen. Het gevolg van het gemakkelijk verkrijgbaar zijn van zelfmoordpillen zou namelijk kunnen zijn dat mensen die anders aarzelden nu ook de stap zetten een einde aan hun leven te maken. Bijvoorbeeld jongeren met liefdesverdriet. En in de tweede plaats kan het ervoor zorgen dat mensen die er bewust voor kiezen hun levenseinde niet in eigen hand te nemen op den duur niet meer de nodige verzorging kunnen krijgen omdat hun omgeving liever ziet dat ze worden opgeruimd. Lees bijvoorbeeld Winter in Gloster Huis van Vonne van der Meer. Een kille, liefdeloze maatschappij ligt op de loer.
Vanuit de levensbeschouwing van de seculiere partijen bekeken is dat geenszins verwonderlijk. De mens is immers ontstaan als product van miljoenen jaren strijd om het bestaan, waarbij de best aangepaste individuen overleefden en zo evolutie van primitief tot hoogontwikkeld mogelijk maakten. Verzorging van de zwakken werkt dat proces tegen.

Onbegrijpelijker is vanuit die levensbeschouwing echter het feit dat de allerjongsten onder ons vogelvrij verklaard zijn. "We leven in een samenleving waar alle mogelijk[e] seksuele perversiteiten aan de orde van de dag zijn en waar kinderen in de schoot van hun moeder vermoord worden. Laat u niet misleiden. Nederland is een barbaars land" schreef Willemien Gunnink in het blad Leef. CU en SGP strijden er nog steeds voor dit duistere gebruik in te dammen.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over de aandacht die deze twee partijen regelmatig vragen voor vervolgde, met de dood bedreigde christenen en andere minderheden wereldwijd. Of voor het voorkomen van overspel en echtscheiding, die (kinder)levens onherstelbaar beschadigen.

Kortom: samen met de CU is de SGP de partij waarin het leven centraal staat, dwars tegen de troebele hoofdstroom in die ontspringt uit de evolutiemythe. Het leven en de dood worden u voorgesteld. Stem voor het leven.


maandag 27 februari 2017

Huisdierkind

Gezinssamenstelling: vriend Max, zoon Sem, dochter Sanne, hond Saar, kat Reno. Zo zou de profielschets kunnen luiden van een Libelle-schrijfster. Hond en kat maken voluit deel uit van het gezin. Soms nemen ze een hond of kat om wat gezelligheid te hebben als er nog geen kinderen zijn. Komt er vervolgens een kind, dan komt ze voor een lastige keuze te staan: moeten we Reno houden of niet? Nee, ik kan geen afscheid van hem nemen, dus laten we hem alsjeblieft houden. Vervolgens wordt die lieve Reno echter jaloers op Sem, omdat die nu een deel van de aandacht opeist die altijd naar hem ging. Meneer wordt onhandelbaar, hij pist de kamer onder, krabt de banken aan flarden… wat een drama. Tranen met tuiten. Zouden we Reno dan toch naar een asiel moeten brengen?
Vooruit, in een asiel wordt nog goed voor Reno gezorgd en kan hij hopelijk een nieuw leven beginnen. Saar echter is niet jaloers, maar ziek. Geneeskundig onderzoek en geneesmiddelen hebben niet mogen baten – Saar zal het niet lang meer maken. Max en Lieke moeten daarom met pijn in het hart besluiten haar te laten inslapen. Misschien kan ze nog een goede begrafenis krijgen, in het gezin gevolgd door een niet te onderschatten rouwproces.

Marijke Verduyn schreef er een boekje over: Het dier is mens geworden. Het is een tweeluik; de andere kant is Het dier is ding geworden. Schoothondje versus plofkip. Overeenkomst is dat beiden mensen bezigheid bieden. Verschil is dat het ding-dier ook nuttig is voor anderen dan de eigenaar, terwijl de meeste mens-dieren slechts dienstig zijn voor hun eigenaar. Je zou dan verwachten dat je moet betalen om mens-dieren te mogen houden, terwijl je betaald krijgt voor ding-dieren. Het tegendeel is echter waar. Om landbouwhuisdieren te mogen houden moet je geld betalen, terwijl de opbrengst sterk wisselt. Voor het houden van gezelschapsdieren hoef je vaak alleen maar voer te betalen, wat dan ook grif wordt gedaan; het beste voer is nauwelijks goed genoeg voor onze blaffende of miauwende gezinsleden. Hondenbelasting bestaat niet overal (meer) en kattenbelasting voor zover ik weet nergens.

Vlees kost veel productiegrond en water, is een tegenwoordig veel gehoorde kritiek. Hoe koeien de wereld vernietigen. Kan zijn, maar laten we dan wel de juiste prioriteiten stellen. Eerst afschaffen wat voedsel en water kost zonder dat het wat tastbaars oplevert. Honden, katten, paarden. Ja, ook rijpaarden kosten de Aarde veel energie en ruimte. Met de invoer dan wel een forse verhoging van hondenbelasting, kattenbelasting en paardenbelasting kan de overheid geld binnenkrijgen om biologische landbouw te steunen – dat lijkt me een goede bestemming – en kan de Aarde langer mee.

Twijfel je of je katten wil of kinderen? Kies voor kinderen, want die hebben een aantal voordelen ten opzichte van huisdieren: je krijg er kinderbijslag voor, je kun ze meer leren, ze kunnen terugpraten als je wat zeg en ze kunnen jou later verzorgen als je oud ben. Natuurlijk is dat nog lang niet aan de orde, maar vooruitdenken is niet dom.

maandag 20 februari 2017

Jij ben

Het is toch "jij bent"? Volgens de officiële regels wel, ja. Maar volgens mij niet.

In het nog altijd hypothetische en Kornalijnen Boekje is al de regel opgenomen dat bij tweede persoon enkelvoud (jij) altijd stam zonder t moet worden gebruikt. Nu bevat dat boekje nog niet alle punten waarop ik van mening verschil met de taalkunde; zo zou ik de hen-hun-regel willen vereenvoudigen en "hun" alleen gebruiken als bezittelijk voornaamwoord en niet als persoonlijk voornaamwoord in het meewerkend voorwerp.
Maar "jij ben" enzovoorts gebruik ik al jaren consequent, zoals je misschien al eens is opgevallen. Met dit betoogje hoop ik ook Kees en jou te overtuigen. Al zijn er natuurlijk belangrijker dingen in het leven, maar je kun je toch niet je hele leven alleen met de belangrijkste zaken bezighouden.

Eigenlijk is het een heel vreemde regel, stam+t schrijven ná "jij" en enkel de stam ervoor. "Ga jij" versus "jij gaat". Hoe is dat zo gekomen? De Taaladviesdienst wist het:
Deze bijzonderheid van de persoonsvorm bij 'jij/je' komt voort uit de
ontstaansgeschiedenis van dit persoonlijk voornaamwoord. 'Jij/je' is ontstaan uit 'g(h)i'; in de Middeleeuwen werd dit als het achter de persoonsvorm stond daaraan vastgeplakt, vaak met een d ertussen: 'hebdi' ('hebt ge'), 'kundi' ('kunt ge'). Deze d werd in de loop der tijd verzacht; 'di' werd via 'dji', 'dzji', 'zji' tot 'ji',
waarna de i werd gereduceerd tot e, zodat 'ji' veranderde in 'je'. 'Hebdi' veranderde zo in allerlei tussenstappen in 'heb jij/je'. In de omgekeerde volgorde kon die t niet afslijten; zoals het vroeger 'g(h)i hebt' was, is het ook nu 'jij/je hebt'.
Een boeiende geschiedenis, grappig dat die zo terug te zien is in de spelling. Maar het zou veel logischer zijn als de tweede persoon enkelvoud altijd vergezeld ging van stam zonder meer. Informeel dan, want bij de formele vorm, u (of gij) moet wel stam+t.
Daarom zou het beter zijn de onlogische regel af te schaffen; om twee redenen:
- Hij is moeilijk te leren, zowel voor Nederlandse schoolkinderen als voor buitenlanders. Het is beter als taalregels logisch zijn.
- Hij kan leiden tot misverstanden. Zinsneden als "de groep mensen die je meeneemt" of "de hond die je uitlaat" – wat betekenen die? Vroeger, toen "je" nog niet zo veel gebruikt werd, kwamen zulke onduidelijkheden minder voor.
- "Jij gaat" is lelijk, net als "jij haalt" enzovoorts. Je zie trouwens dat veel mensen al wel "jij wil" schrijven, stellig omdat het ook "hij wil" is, maar misschien ook wel omdat "jij wilt" niet zo lekker bekt. En onlogisch is.

Laten we dus verstandige dialecten als het West-Veluws, waar gewoon gepraat wordt van "jie bin" volgen. Dit is mijn mening; ben jij het met me eens?

Jij ben.


maandag 13 februari 2017

Moderne dichtkunst

Mogelijk heb je het stukje van 7 maart gelezen en daar een Duitstalig citaat van wijsgeer Spengler gezien. Hopelijk begrijp je Duits, maar voor als dat niet het geval is hierbij een zinsnede: "Onder de ingenieurs van de eerste de beste machinefabriek vind je meer intelligentie, smaak en karakter dan in de hele hedendaagse Europese kunst."
Krasse taal. Maar terecht voor wat betreft de moderne kunst (bv. Karel Appel en consorten in de schilderkunst, en de atonale stroming in de klassieke muziek); inmiddels zijn er ook componisten en beeldend kunstenaars die teruggrijpen op oude vormen, want een echte kunststroming is er eigenlijk niet meer (het destructieve geknoei van het modernisme was de laatste van ons Avondland).
Ook de dichtkunst is een kunststroming. En ook die is in de twintigste eeuw gedegenereerd. Het is waar, gedichten kun je vandaag de dag aantreffen in alle soorten en maten, ook goede die nog de kenmerken uit de hoogtijdagen van onze cultuur hebben bewaard, maar het typische moderne gedicht is metrum- en rijmloos.
Laten we (de muziek indachtig) eerst eens naar liedteksten kijken.

Het is de combinatie van binnen- en eindrijm die Valerius' oude lied Merck toch hoe sterck nu in ’t werck sich al steld’ zo sterk maakt. In hedendaagse muziek geldt hetzelfde. Hoeveel blijft er over van de betovering van Femke Ouboters Dat ik je mis of van Kees Kraaijenoords God of the moon and the stars zonder rijm?
Het rijm in een liedje als Witsand van Stef Bos hapert, maar dat wordt nog net niet echt storend, al biedt die hapering zeker geen meerwaarde; in Boeregeneraal van de groep Wild Horse doet het echter duidelijk afbreuk aan het overigens mooie nummer.
Overigens kan rijmdwang – hoewel het de teksten van Drs P. juist sterk maakt – een liedtekst verzwakken. Als je al kun voorspellen dat na "mensen" de volgende regel zal eindigen op "wensen", dan is de rijm een stoplap en is er sprake van rijmelarij in plaats van dichtkunst. Daarentegen getuigt het creatieve rijm in talloze liedjes van Ellie en Rikkert van kunstzin.

Kortom: rijmelarij is geen dichtkunst, maar rijmloze dichtkunst is in de meeste gevallen weinig of niets beter.
Misschien zeg je – ik hoop het niet, maar het zou kunnen –: je zou het over niet over muziek hebben maar over gedichten. Vooruit dan. Ook buiten de muziek komt immers dichtkunst voor.
Ik pluk een willekeurige naam van het internet – Robin Kerkhof – die ik model laat staan voor een grote groep. Of hij één van de groteren is weet ik niet (al beweert hij zelf dat het werk van hem, Geert Zomers, Frans Terken en anderen het beste is wat de moderne poëzie te bieden heeft), maar ik ga niet beweren dat hij geen verstand van taal heeft, evenmin als ik beweer dat iemand als Willem Jeths geen verstand van muziek zou hebben.
Naar de gedichten van Kerkhof op de aangegeven internetpagina. 'Oorlogsweduwe' – de gedachte is mooi, maar de vorm hapert. Ik bespeur in de eerste twee regels een metrum (dactylus), maar dan stokt het al. Er is een poging gedaan tot eindrijm, maar in twee van de vier strofen is het mislukt. Misschien dat ik een paar stijlfiguren mis, maar klinker- of medeklinkerrijm vind ik niet.
'Zonder titel' – hierin is zelfs geen poging gedaan een metrum of rijm aan te brengen, en het zou me verbazen als een beetje veertienjarige een gedicht als dit niet had kunnen schrijven; het enige sterke punt zijn de tegenstellingen (antithese/paradox).
Voor de rest kun je het nu zelf. Wat heet nog dichtkunst? Wel, dit: regels en bladzijden slechts gedeeltelijk volschrijven. 'Welkom in Nederland', om een willekeurig 'gedicht' van "dichter des vaderlands 2016" Anne Vegter te nemen, bevat enkele diepe gedachten, maar ik zie niet in waarom het een gedicht moet heten; in goed geschreven proza kan hetzelfde. Verwoord een mooie gedachte, een gevoel of associatie, knip je regels in stukjes, en ziedaar: een modern gedicht. De nieuwe "dichter des vaderlands", Ester Naomi Perquin, brengt ten minste een metrum aan in haar gedichten, maar ook hier is de degeneratie van de dichtkunst duidelijk waarneembaar.

Kortom: als dit het beste is wat de moderne poëzie te bieden heeft is de uitspraak van Spengler daarop dubbel en dwars van toepassing. Als mensen als Kerkhof al talent hebben verknoeien ze dat deerlijk.

Ter vergelijking en afsluiting laat ik hier een echt gedicht volgen, qua inhoud mooi van toepassing op de weersomstandigheden van de afgelopen dagen.

Winterstilte
 
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
 
De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
 
De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.

Jacqueline van der Waals (gepubl. 1909)


maandag 6 februari 2017

De gelijkenis van de Dagpauwoog

Het is zondag en winter. Buiten is het koud en donker, binnen in de kerk is het licht en behaaglijk warm. De gemeente heeft zich verzameld om God te aanbidden en Zijn Woord te horen. Op de kansel staat de predikant. Net begonnen aan zijn preek. 't Gaat over een ouderwetse graanboer en over vogels, maar over die laatste zegt dominee verder niets; mogelijk denkt hij aan Van Goghs kraaien en kan hij nog geen tien vogelsoorten op naam brengen. Het is wel een mooie preek, daar niet van; maar er ontbreekt iets.

Opeens maakt zich een kleine donkere gedaante los van de zoldering. Het fladdert naar beneden, de kerkzaal in – een vlinder. Een Dagpauwoog, zo ziet de kenner al spoedig. Voor wie 'm niet zo goed kent heeft het diertje een verrassing in petto. Zijn de vlindervleugels van onderen gezien bijna zwart, de bovenkant blijkt, als de vlinder neergedaald is tot op ooghoogte of zich even neerzet tegen de muur, buitengewoon fraai gekleurd en getekend.
Na een wijde boog door de ruime kerkzaal schiet de vlinder weer richting de hoge zoldering, vereert de organist op de orgelgalerij met hoog bezoek, fladdert even rond één van de plafondlampen en wervelt dan weer boven de luisteraars beneden. De prediker schenkt er geen aandacht aan, hij preekt onverstoorbaar door. Maar de vlinder dartelt door de kerk; moeilijk is uit te maken of hij blij is een poosje vrij te kunnen vliegen of hongerig en bang op zoek naar bloemen, voedsel. Want het is de vraag hoe vaak het arme diertje, dat in de kerkzoldering een overwinteringsplek heeft gevonden, wakker kan worden door de warmte voordat hij door zijn energiereserves heen is.
Soms schiet onze avondlijke Dagpauwoog even terug naar de zoldering, dan laat hij zich weer afdalen naar de kerkbanken en landt soms zelfs even naast een opengeslagen bijbeltje. En als de vlinder zo tussen het kerkvolk neerstrijkt maakt een deel van het volk een schrikbeweging, en de vlinder vliegt op en vertrekt. Een ander deel ziet de Dagpauwoog als een welkome afleiding en volgt hem nieuwsgierig. Weer een ander deel negeert de rustverstoorder en concentreert zich op de prediker. Maar er zijn er ook die de vlinder herkennen als een kunstwerkje van de Schepper en ontvankelijk zijn voor de les, de aanvulling op de preek.

Afgezien van de mensen – en wat onzichtbare spinnetjes en ander klein spul – is de Dagpauwoog het enige levende wezen in de kerk, een kerk waar de natuur geen plaats heeft; er gaan stemmen op de vlinder te vangen om te voorkomen dat hij nog langer de aandacht afleidt van de preek en de aanbidding. En buiten de kerk is het weinig beter.
Heb je ooit een preek gehoord over Deuteronomium 22:6, een wetje – volgens de Joden het kleinste van al de geboden – over een vogelnest? Grote kans dat je dan in een zogenaamde "groene kerk" zit. Dat is een nieuw verschijnsel, groene kerken. Een reactie op de scheiding van kerk en natuur en een poging het rentmeesterschap over de schepping in praktijk te brengen. Zulke kerken doen dan aan afvalscheiding, energiebesparing, eigen energie-opwekking, milieu-educatie en natuurvriendelijk tuinieren en zetten Max-Havelaarkoffie. Maar ook in zulke kerken is de kleur groen schaars; hoeveel planten staan er bijvoorbeeld in de kerk, en hoeveel vlinders en bijen vliegen eromheen? Goed, misschien zou het beeld dat ik hiermee oproep wat overdreven zijn, en misschien is de onlangs uitgegeven Groene Bijbel dat ook wel. Maar toch.

Moet de gelijkenis van de Dagpauwoog nog worden verklaard? Wie oren heeft om te horen, die hore.

maandag 30 januari 2017

Jood onder de naties (slot)

Met etiket – niet goed opgelet

“Koop niet bij Joden” is weer helemaal in, stelde Franklin ter Horst bijna drie jaar geleden al. En het is er in die tijd niet beter op geworden; voor de Joden, dan. Het verschil met de tijd van het “Kauft nicht bei Juden” is het argument: toen gold “minderwaardig ras” als voldoende motivering, nu is het “Israël is een schurkenstaat”. Er staat nog niet zo’n bordje op de winkelruit bij Joodse winkeliers, maar de BDS-beweging heeft dan ook nog maar beperkte successen geboekt; er zou toch meer mogelijk moeten zijn dan etikettering van een paar producten van de Westoever. Boycot, desinvesteringen, sancties! Gelukkig hebben ze flink wat media trouw aan hun zijde. Wat kan het schelen als Arabische werknemers de pineut worden, dat weten de mensen in Europa toch niet. Liefst breiden organisaties als Breaking the Silence en DocP de boycot uit tot heel Israël. Dat we dan om consequent te zijn de meeste van onze technische apparaten zouden moeten weggooien, daar denken we niet aan. Dat de oprichters van de BDS-beweging Joden het recht op een eigen staat ontzeggen, daar hebben wij geen boodschap aan. Dat Israël volgens mensenrechtenorganisatie Freedom House volgens onderzoek in 2011 het enige vrije land was van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, dat zijn we alweer vergeten; inmiddels worden vredesbesprekingen buiten Israël om gevoerd. Dat tal van bijbelse heilige plaatsen aan Israël worden ontzegd – opgestaan is plaatsje vergaan, toch? Dat Arabische Israëli’s graag in Israël wonen – kan niet waar zijn. Terwijl Abbas onlangs nog zei dat nooit een Jood een voet zou zetten in de toekomstige Palestijnse staat… allemaal gelogen, wat? Dat boycot van westoeverproducten indruist tegen de Olmert-Mandesonakkoorden – nou, boeiend. En dat de regering met steun aan BDS-organisaties eigen beleid tegenwerkt – veel te ingewikkeld om over na te denken.

Toch goed dat de SGP en de CU daar wel over nagedacht hebben. Van der Staaij stelde in november terecht: “Deze organisaties leveren geen bijdragen aan het bevorderen van vrede in het Midden-Oosten”. De Nederlandse regering is bij haar positieven gebracht. Maar daarmee is de strijd niet beslecht.
Wie meepraat met anti-Israël-activisten moet echter twee dingen goed bedenken:
1.      Een Jood in Nederland niet verantwoordelijk is voor Israëlisch beleid. Bovendien is iedereen die sympathiseert met de ideeën van Adolf Hitler, één van de grootste schurken ooit, medeschuldig. Een recente documentaire van de Joodse omroep trekt een vergelijking met de kanarie die mijnwerkers destijds meenamen onder de grond: als de kanarie het loodje legde door verstikking moesten de kompels maken dat ze wegkwamen; als er voor een Jood geen toekomst meer is in Europa is ook voor andere Avondlanders het einde nabij.
2.      Berichtgeving in de gangbare media is doorgaans eenzijdig. Belangrijke zaken worden verzwegen:
In 1948 werden Joodse dorpen en synagogen vernietigd en Joden in Jerusjaleem uitgehongerd, en (Palestijnse) Arabieren zouden er niet voor terugdeinzen dit opnieuw te doen als ze de kans krijgen. Arabische wetenschappers en geestelijke leiders steunen politieke uitspraken omtrent de noodzaak van de verdwijning van de ‘zionistische entiteit’; er is hierover overeenstemming onder Palestijnse intellectuelen; Palestijnen houden zich niet aan de Oslo-afspraak van schrappen van hun doelstelling omtrent het voorgaande; schoolonderwijs brengt hetzelfde doel paplepelsgewijs bij.
En ten verder de andere zaken die in de voorgaande artikelen in deze reeks zijn besproken.

Benjamin Netanjahoe:
If the Arabs put down their weapons today, there would be no more violence. If the Jews put down their weapons today, there would be no more Israel.

Je begrijp, ik vind het verfrissend om eens te lezen over mensen die hun stem verheffen tegen de BDS-beweging. Bijvoorbeeld de Britse staatssecretaris van Justitie, Michael Gove, die de beweging ervan beschuldigde antisemitistische leugens te verspreiden en apartheidsmethoden in te zetten. Of de resolutie van dertien Zuid- en Midden-Amerikaanse parlementsleden waarin ze hun steun verklaarden aan het Joodse volk om in vrede en veiligheid te wonen in het land Israël. En:
Boycots en sancties tegen de staat Israël en zijn producten dragen bij aan een antisemitistische houding die wordt geïnspireerd door antisemitisme en de weerstand tegen de Joodse staat (…) en zijn schadelijk voor een vreedzame oplossing van het Arabisch-Israëlische conflict, en moeten worden afgewezen door iedereen die vrede zoekt.
BDS-tegenstander Neil Lazarus: “Wij halen in een discussie meteen de feiten erbij. Maar niemand is geïnteresseerd in de feiten!”

Bart Jan Spruyt:
Het zou mij niet verbazen als wij op een gegeven moment voor de keuze komen te staan: óf we blijven Israël steunen en nemen terreur op de koop toe, óf we zeggen die steun op in ruil voor een vreedzaam bestaan. Ik ben er niet zeker van dat iedereen dan de juiste keuze zal maken.

Ik ben niet zo’n bewonderaar van de staat Israël. Ze lijkt te veel op de onze. Juist daarom zou Israël hier juist geliefd moeten zijn: in de meeste verwerpelijke praktijken waarin Nederland en andere westerse landen uitblinken doet Israël niet voor ons onder. Maar doordat de meesten zich inmiddels tegen Israël keren lijkt het me, gegeven de omstandigheden, alleszins redelijk het nu voor dat land op te nemen.
Onder de gegeven omstandigheden zou het meer kwaad dan goed doen, maar wat mij betreft mogen producten uit Judea/Samaria (Westoever, zogenaamd bezet gebied) worden voorzien van een heldere herkomstaanduiding. Dan weet ik wat ik moet kopen.